Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:5191

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
12 juni 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
BRE 25/2094
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.14 WaboArt. 2.1 WaboArt. 4.3 Invoeringswet OwArt. 1.1 WaboArt. 1.1 Wm
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen verlening omgevingsvergunning voor verandering en werking inrichting met geluidsoverlast

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dongen om vergunninghoudster een omgevingsvergunning te verlenen voor het veranderen van en in werking hebben van een inrichting aan een adres in de gemeente. De inrichting betreft een bedrijf dat pallets produceert en reparaties uitvoert, waarbij ook afvalhout wordt verbrand in een energiecentrale. Eiser klaagde over geluidsoverlast en trillingen veroorzaakt door afzuiginstallaties.

De rechtbank oordeelt dat het college de gevolgen voor het milieu, waaronder geluid, voldoende heeft betrokken bij de besluitvorming. Het college baseerde zich op de Nota industrielawaai gemeente Dongen en een akoestisch onderzoek van een adviesbureau, waaruit blijkt dat de geluidsniveaus binnen de gestelde grenswaarden blijven. Het college heeft bovendien voorschriften verbonden aan de vergunning om naleving van deze normen te waarborgen.

Hoewel eiser aangeeft dat de situatie is verbeterd en hij minder geluidsoverlast ervaart, acht de rechtbank het niet aannemelijk dat onaanvaardbare geluidsoverlast zal optreden. De rechtbank beveelt partijen aan om in gesprek te blijven over het geluidsniveau en mogelijke verdere maatregelen. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de verlening van de omgevingsvergunning wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: 25/2094

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dongen, het college.

Als vergunninghoudster neemt aan de zaak deel: [vergunninghoudster] B.V. uit [woonplaats] .

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het college van 6 februari 2025, over het aan vergunninghoudster verlenen van een omgevingsvergunning (revisie) voor het veranderen van en in werking hebben van een inrichting aan de [adres 1] in [woonplaats] .
De rechtbank heeft het beroep op 13 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser was aanwezig. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.A.C.M. Vermeulen, ing. [persoon 1] en ir. [persoon 2] . Namens vergunninghoudster waren [vertegenwoordiger 1] en [vertegenwoordiger 2] aanwezig.

Beoordeling door de rechtbank

1. De feiten
1.1
Eiser woont aan het [adres 2] in [woonplaats] .
1.2
Vergunninghoudster exploiteert een inrichting die is gevestigd aan de [adres 1] in [woonplaats] . De inrichting wordt geëxploiteerd op verschillende percelen rondom en in de nabijheid van dat adres. De bedrijfsvoering van het bedrijf bestaat uit de productie en reparatie van pallets en transportkisten en het beheer van een palletpool. Aangekocht hout wordt machinaal bewerkt en geassembleerd tot pallets en houten kisten, geschikt voor vervoer van diverse producten. De elektriciteit en warmte die hiervoor nodig zijn, worden geleverd door een eigen energiecentrale. Resthout wordt geshredderd en in de energiecentrale verbrand. Om over voldoende afvalhout te beschikken voor de energiecentrale, wordt ook A- en B-afvalhout ingenomen (18.000 ton/jaar). Daarnaast is een stationair opgestelde gastank (lpg-opslag van 15 m3) aanwezig op het terrein, voor het vullen van de gastanks van gasheftrucks.
1.3
Op 16 augustus 2021 heeft vergunninghoudster een omgevingsvergunning (revisie) aangevraagd voor het veranderen van de werking van en het in werking hebben van de inrichting.
1.4
Het college heeft de uniforme openbare voorbereidingsprocedure toegepast. [1] In het kader van die procedure heeft het college op 18 november 2024 [2] een ontwerpbesluit ter inzage gelegd. Vergunninghoudster heeft daar een zienswijze over kenbaar gemaakt.
1.5
Bij bestreden besluit heeft het college de aangevraagde omgevingsvergunning verleend. Het college heeft het bestreden besluit vanaf 20 februari 2025 ter inzage gelegd. [3]
1.6
Eiser heeft op 2 april 2025 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2. Wettelijk kader
2.1
Het bestreden besluit is gebaseerd op de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Die wet is vervallen als gevolg van de inwerkingtreding van de Omgevingswet (Ow) op 1 januari 2024. Uit artikel 4.3 van de Invoeringswet Ow leidt de rechtbank af dat het oude recht van toepassing blijft op een besluit op een aanvraag die voor de inwerkingtreding van de Ow is ingediend. Het oude recht omvat onder andere de Wet milieubeheer (Wm).
2.2
Het bedrijf van vergunninghoudster was onder het oude recht een type C-inrichting: een inrichting [4] die nadelige gevolgen kan veroorzaken voor het milieu [5] en als vergunningplichtig was aangewezen. [6] Op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo was op grond van het oude recht daarom een omgevingsvergunning vereist voor het veranderen (van de werking) van en het in werking hebben van de inrichting.
2.3
Het toetsingskader voor die omgevingsvergunning stond in artikel 2.14 van de Wabo. In het derde lid was bepaald dat de omgevingsvergunning voor het veranderen van een inrichting slechts in het belang van de bescherming van het milieu kon worden geweigerd. Dit betekende dat het college een zekere beoordelingsruimte had of een omgevingsvergunning, in het belang van de bescherming van het milieu, al dan niet moest worden geweigerd. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) [7] gaf dit toetsingskader aan het bevoegd gezag niet de ruimte om een omgevingsvergunning uitsluitend uit voorzorg te weigeren. Het bevoegd gezag moest nagaan of het belang van de bescherming van het milieu eraan in de weg stond dat de vergunning werd verleend. Dit betekent dat het aan het bevoegd gezag was de belangen te benoemen die zich verzetten tegen het toelaten van de aangevraagde milieuactiviteit. Alleen belangen waarover voldoende duidelijkheid en zekerheid bestond, konden in dit verband een rol spelen.
2.4
Het eerste lid, onder a, van artikel 2.14 voornoemd bevatte aspecten die in ieder geval bij de beslissing
moesten worden betrokken. Uit het vierde lid volgde dat het college in de motivering van de beslissing te kennen moest geven op welke wijze deze aspecten de inhoud van het besluit hebben beïnvloed. Het eerste lid, onder b, bevatte aspecten waar
rekening mee moest worden gehouden. Van deze aspecten kon gemotiveerd afgeweken worden. Het eerste lid, onder c, bevatte aspecten die het college
in acht moest nemenbij de beslissing. Dat betekent dat de aanvraag moest worden geweigerd, wanneer niet werd voldaan aan één van deze aspecten.
3. Gronden
Eiser heeft aangevoerd dat het college de omgevingsvergunning niet had mogen verlenen, omdat hij geluidsoverlast ervaart van de afzuiginstallaties van de inrichting (doordeweeks tussen 06:00 uur en 17:00 uur en op zaterdag tussen 06:00 uur en 14:00 uur). Het geluid zorgt volgens eiser ook voor trillingen. Eiser heeft daar structureel melding van gemaakt. Vergunninghoudster heeft eind 2024 een geluidswand geplaatst op het dak van de hal waar de meeste overlast veroorzakende afzuiginstallatie(s) zijn geplaatst. Volgens eiser treedt geen enkel verminderd geluidseffect op. Het college staat geluidsnormen toe die hoger zijn dan de gebruikelijke normen voor industrieterreinen.
4. Beoordeling
4.1
Op grond van artikel 2.14, eerste lid, onder a, onder 2, van de Wabo moest het college de gevolgen voor het milieu betrekken bij de beslissing op de aanvraag voor een milieuvergunning. Het begrip ‘gevolgen voor het milieu’ stond in de Wm als volgt omschreven: “onder gevolgen voor het milieu worden in ieder geval verstaan gevolgen voor het fysieke milieu, gezien vanuit het belang van de bescherming van mensen, dieren, planten en goederen, van water, bodem en lucht en van landschappelijke, natuurwetenschappelijke en cultuurhistorische waarden en van de beheersing van het klimaat, alsmede van de relaties daartussen.” Gelet daarop diende het college het aspect ‘geluid’ te betrekken bij de besluitvorming. Uit het vierde lid van dat artikel volgde dat het college in de motivering van de beslissing te kennen moest geven op welke wijze dit aspect de inhoud van het besluit heeft beïnvloed.
4.2
De rechtbank is van oordeel dat het college in het bestreden besluit voldoende heeft gemotiveerd dat het college de gevolgen van het initiatief voor de geluidssituatie in de omgeving van de inrichting heeft betrokken bij de beslissing. Het college heeft in het bestreden besluit gemotiveerd dat de optredende geluidsniveaus als gevolg van de activiteiten van de inrichting aanvaardbaar kunnen worden geacht. Ter onderbouwing daarvan heeft het college verwezen naar de Nota industrielawaai gemeente Dongen, oktober 2007 (hierna: de Nota industrielawaai). Die Nota industrielawaai is gebaseerd op de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening uit 1998. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling blijkt dat het college die handreiking (en dus ook de Nota industrielawaai) redelijkerwijs mag betrekken bij de beoordeling of geluidhinder aanvaardbaar is. [8] In de Nota industrielawaai zijn de volgende grenswaarden opgenomen: een langtijdgemiddeld beoordelingsniveau van 45, 40 en 35 dB(A) voor de dag-, avond- respectievelijk de nachtperiode in een stille woonwijk en een maximaal geluidniveau van 70, 65 en 60 dB(A) voor de dag-, avond- respectievelijk de nachtperiode. Het college heeft daarnaast verwezen naar het ‘Akoestisch onderzoek industrielawaai [adres 1] [woonplaats] ’ van [adviesbureau] van 6 november 2024 (hierna: akoestisch onderzoek). Niet is gebleken dat het onderzoek naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont, dat het college dit niet - of niet zonder meer - aan het bestreden besluit ten grondslag had mogen leggen. Uit dat akoestisch onderzoek blijkt dat metingen hebben plaatsgevonden, waarin de werking van twee op dat moment gerealiseerde geluidsdempers in de droogkamer als bronvermogen zijn verdisconteerd. Op pagina 10 van het akoestisch onderzoek staat namelijk dat de droogkamers zijn verlengd met een gedempt kanaal en in bijlage 3 (berekeningsresultaten) bij het akoestisch onderzoek staat bij droogkamer 2-3 ‘(incl. demping). Daarnaast is in het akoestisch onderzoek door middel van modelmatige berekeningen rekening gehouden met de gerealiseerde geluidswand. Ter zitting heeft het college toegelicht dat de resultaten uit die berekeningen overeenkomen met de in het akoestisch onderzoek opgenomen resultaten. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat ter plaatse van de woningen aan de [straat] wordt voldaan aan de hierboven genoemde grenswaarden. De woningen aan de [straat] liggen op kortere afstand van de inrichting, dan de woning van eiser. Gelet daarop acht de rechtbank het niet aannemelijk dat eiser onaanvaardbare geluidsoverlast zal ervaren als gevolg van de veranderde werking van de inrichting. Om te waarborgen dat deze grenswaarden ook in de toekomst niet zullen worden overschreden, heeft het college voorschrift 5 aan de omgevingsvergunning verbonden. In voorschrift 5.1.1 is vastgelegd dat het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau op verschillende referentiepunten niet hoger mag zijn dan de in dat voorschrift opgenomen niveaus. In voorschrift 5.1.2 is daarnaast opgenomen dat het maximale geluidniveau niet hoger mag zijn dan 70, 65 en 60 dB(A) voor de dag-, avond- respectievelijk de nachtperiode. In voorschrift 5.2.1 zijn tot slot voorschriften opgenomen over de wijze van controleren of aan de voorschriften wordt voldaan. De geluidsproductie van de inrichting moet dus ook in de toekomst binnen deze grenzen blijven.
5. Ten overvloede
5.1
Ter zitting heeft eiser aangegeven dat hij informatieverstrekking en communicatie vanuit vergunninghoudster en het college heeft gemist. Vergunninghoudster heeft op zitting aangegeven dat verschillende geluidreducerende maatregelen zijn getroffen en dat zij zich blijft inspannen om de situatie te verbeteren. Eiser heeft daarop verklaard dat de situatie de afgelopen tijd is verbeterd en dat hij minder geluidsoverlast ervaart. Het huidige feitelijke geluidsniveau is volgens hem overdag acceptabel. Hij hoopt dat er nog meer geluidreducerende maatregelen getroffen kunnen worden en wenst daar in de toekomst over geïnformeerd te worden.
5.2
De rechtbank geeft partijen in overweging om met elkaar in gesprek te gaan en te blijven over het geluidsniveau van de inrichting en mogelijke toekomstige geluidreducerende maatregelen.
6. Conclusie
6.1
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep ongegrond verklaren.
6.2
Voor een proceskostenvergoeding bestaat daarom geen aanleiding.

De beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door, mr. T.I van Term, voorzitter, mr. A.G.J.M. de Weert, en, mr. M.J. Schouw, leden, in aanwezigheid van mr. N. van Asten, griffier, op 12 juni 2026 en wordt geanonimiseerd gepubliceerd op rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Wettelijk kader

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)
Artikel 2.14, eerste lid, onder a, onder 2, van de Wabo
Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, betrekt het bevoegd gezag bij de beslissing op de aanvraag in ieder geval de gevolgen voor het milieu, mede in hun onderlinge samenhang bezien, die de inrichting of het mijnbouwwerk kan veroorzaken, mede gezien de technische kenmerken en de geografische ligging daarvan.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 3.10, eerste lid, onder c, van de Wabo.
2.Gemeenteblad 2024, 489179.
3.Gemeenteblad 2025, 64232.
4.Artikel 1.1, eerste en derde lid, van de Wabo, artikel 1.1, eerste, derde en vierde lid, Wet milieubeheer (Wm).
5.Artikel 1.1, derde lid, Wm. Dit artikel verwees naar artikel 2.1, eerste lid, van het Bor in samenhang met bijlage 1 bij het Bor, onderdeel B en C. Niet in geschil is tussen partijen dat sprake is van de activiteiten die stonden genoemd in onderdeel B, eerste lid, onder a en van de activiteiten die stonden genoemd in onderdeel C onder de volgende categorieën: 2.1, 15,1 en 28.1.
6.Op grond van artikel 1.1, eerste en derde lid, van de Wabo in samenhang met artikel 2.1, tweede lid, van het Bor en bijlage I bij het Bor was de inrichting in ieder geval als vergunningplichtig aangewezen in bijlage 1, onderdeel B, onder a en in bijlage 1, onderdeel C en categorieën 2.7 en 28.10.
7.ABRvS 23 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:556, r.o. 4.3
8.ABRvS 27 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:952, r.o. 7.2.