ECLI:NL:RBZWB:2026:60

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
9 januari 2026
Publicatiedatum
9 januari 2026
Zaaknummer
BRE 21/2894 HUUR en BRE 22/3072 ZORG
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Definitieve berekening huur- en zorgtoeslag en terugvordering van te veel verstrekte voorschotten

Op 9 januari 2026 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in de zaken BRE 21/2894 (huurtoeslag) en BRE 22/3072 (zorgtoeslag). De zaak betreft de definitieve berekening van de huurtoeslag en zorgtoeslag van eiser over het jaar 2019, waarbij de Dienst Toeslagen een terugvordering heeft ingesteld van respectievelijk € 2.920,- en € 1.210,-. Eiser is het niet eens met deze besluiten en heeft beroep ingesteld. De rechtbank heeft de beroepsgronden van eiser beoordeeld, waaronder de stelling dat de besluiten zijn gebaseerd op een onterechte aanslag inkomstenbelasting. De rechtbank oordeelt dat de Dienst Toeslagen de huur- en zorgtoeslag terecht op nihil respectievelijk lager heeft vastgesteld en de terugvorderingen gerechtvaardigd zijn. De rechtbank verklaart de beroepen tegen de bestreden besluiten niet-ontvankelijk en de beroepen tegen de herziene besluiten ongegrond. Tevens is er een motiveringsgebrek vastgesteld bij het herziene bestreden besluit I, wat aanleiding geeft tot vergoeding van het griffierecht aan eiser.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummers: BRE 21/2894 HUUR en 22/3072 ZORG

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,

en

Dienst Toeslagen (voorheen Belastingdienst/Toeslagen), verweerder.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de definitieve berekening van eisers huurtoeslag en zorgtoeslag over het jaar 2019 en de terugvordering van het te veel verstrekte voorschot van € 2.920,- respectievelijk € 1.210. Eiser is het daarmee niet eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de definitieve berekeningen en terugvorderingen van de huur- en zorgtoeslag over het jaar 2019.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de Dienst Toeslagen de huur- en zorgtoeslag over 2019 terecht op nihil respectievelijk lager heeft vastgesteld en teruggevorderd. Eiser krijgt dus geen gelijk en de beroepen tegen de herziene besluiten zijn dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 3 mei 2021 (primair besluit I) heeft de Dienst Toeslagen eisers huurtoeslag over het jaar 2019 definitief berekend op € 2.695,- en het te veel verstrekte voorschot van € 304,- teruggevorderd. Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 5 juli 2021 (bestreden besluit I) op het bezwaar van eiser is de Dienst Toeslagen bij dat besluit gebleven.
Met het besluit van 9 maart 2022 (primair besluit II) heeft de Dienst Toeslagen eisers zorgtoeslag over het jaar 2019 definitief berekend op € 1.169,- en het te veel verstrekte voorschot van € 1.210,- teruggevorderd. Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 2 juni 2022 (bestreden besluit II) op het bezwaar van eiser is de Dienst Toeslagen bij dat besluit gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. De Dienst Toeslagen heeft op de beroepen gereageerd met verweerschriften.
2.2.
Met het besluit van 3 november 2022 (herzien bestreden besluit I) heeft de Dienst Toeslagen de definitieve berekening huurtoeslag herzien, de huurtoeslag over het jaar 2019 vastgesteld op € 0,- en € 2.920,- teruggevorderd.
Met het besluit van 12 oktober 2022 (herzien bestreden besluit II) heeft de Dienst Toeslagen een herziene beslissing op het bezwaar van eiser betreffende de zorgtoeslag over het jaar 2019 genomen en het bestreden besluit II ingetrokken. Het bezwaar van eiser wordt alsnog ongegrond verklaard.
Op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) hebben de beroepen van eiser mede betrekking op deze besluiten.
2.3.
De rechtbank heeft de beroepen op 28 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en namens de Dienst Toeslagen [vertegenwoordiger 1] en [vertegenwoordiger 2] .

Totstandkoming van de bestreden besluiten

Relevante feiten en omstandigheden
3. Aan eiser zijn, na diverse herzieningen, voorschotten huurtoeslag van € 2.992,- en zorgtoeslag van € 2.314,- toegekend voor het jaar 2019. Het voorschot zorgtoeslag is gebaseerd op een geschat inkomen van eiser van € 9.565,- en van zijn toeslagpartner van € 0,-. Voor het voorschot huurtoeslag is ook het inkomen van de medebewoner (hun zoon) van € 5.625,- meegerekend. Het gezamenlijk toetsingsinkomen voor de huurtoeslag is daarmee vastgesteld op € 15.190,-.
3.1.
De Dienst Toeslagen heeft vervolgens vanuit de Basisregistratie inkomen (BRI) de volgende meldingen ontvangen over het inkomen van eiser, zijn toeslagpartner en zijn zoon in 2019:
  • op 27 mei 2020 dat het inkomen van de toeslagpartner is vastgesteld op € 219,-;
  • op 10 maart 2021 dat het inkomen van hun zoon is vastgesteld op € 11.250;
  • op 17 maart 2021 dat het inkomen van eiser is vastgesteld op € 11.169,-.
Naar aanleiding van deze inkomensgegevens heeft de Dienst Toeslagen met het primaire besluit I de huurtoeslag voor het jaar 2019 definitief berekend op € 2.695 en € 304,- teruggevorderd. Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
3.2.
Op 26 januari 2022 heeft de Dienst Toeslagen een melding ontvangen vanuit de BRI dat het inkomen van eiser in 2019 € 29.413,- bedraagt. Op 2 februari 2022 heeft de Dienst Toeslagen een melding ontvangen vanuit de BRI dat zijn toeslagpartner in 2019 geen inkomen heeft ontvangen. Naar aanleiding van deze inkomensgegevens heeft de Dienst Toeslagen met het primaire besluit II de zorgtoeslag voor het jaar 2019 definitief berekend op € 1.169,- en € 1.210,- teruggevorderd. Ook hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit II is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
3.3.
Naar aanleiding van de melding op 26 januari 2022 vanuit de BRI heeft de Dienst Toeslagen het herziene bestreden besluit I genomen waarbij de huurtoeslag over het jaar 2019 is vastgesteld op € 0,- en € 2.920,- is teruggevorderd. Dit besluit is gebaseerd op een gezamenlijke toetsingsinkomen van € 40.663,-.
Het herziene bestreden besluit II over de zorgtoeslag is genomen om een gebrek in de hoorplicht te herstellen.
3.4.
De inspecteur van de Belastingdienst (de inspecteur) heeft aan eiser voor het jaar 2019 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekering opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 29.413,-, bestaande uit € 18.244 loon en € 11.169 inkomsten uit vroegere dienstbetrekking. Het hiertegen door eiser ingediende bezwaar heeft de inspecteur ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld. Deze rechtbank heeft op 23 januari 2024 [1] uitspraak gedaan op dit beroep. Het hiertegen door eiser ingestelde hoger beroep is door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch op 8 oktober 2025 ongegrond verklaard. [2]
Beroepsgronden
4. Eiser heeft (samengevat) aangevoerd dat de besluiten van de Dienst Toeslagen zijn gebaseerd op een onterechte aanslag inkomstenbelasting voor het jaar 2019. Deze aanslag is gebaseerd op een theoretisch salaris wat nooit aan eiser is uitgekeerd. Eiser heeft voor niets gewerkt om het bedrijf van zijn zoon te helpen, anders was het bedrijf failliet gegaan. Eiser kan dit bewijzen. Ook mocht voor de onterechte aanslag 2019 geen wijziging ingediend worden en mocht geen verlies verrekend worden. Eisers accountant wil gebruik maken van de optie van afstand van recht. Verder heeft eiser het idee dat er sprake is van etnische discriminatie. Er wordt onderscheid gemaakt in inkomen en aanzien.
4.1.
Ten aanzien van de zorgtoeslag betwist eiser daarnaast dat het telefonisch gesprek van 18 mei 2022 als hoorzitting kan worden aangemerkt. Eiser ontving op 9 juni 2022 een brief dat hij voor 23 juni 2022 een bedrag van € 1.210,- moest betalen, terwijl hij tot 14 juli 2022 de tijd had om in beroep te gaan.
Standpunt van de Dienst Toeslagen
5. De (herziene) bestreden besluiten zijn gebaseerd op de inkomensgegevens die door de inspecteur van de Belastingdienst (inkomstenbelasting) zijn vastgesteld. Eiser, zijn toeslagpartner en zijn zoon kunnen zich wenden tot de inspecteur als zij het niet eens zijn met de vastgestelde inkomensgegevens. Een (daaruit voortvloeiende) wijziging van de inkomensgegevens zal eventueel kunnen leiden tot een herziening van de vaststelling van het recht op toeslag.
5.1.
Aan het herziene bestreden besluit I heeft de Dienst Toeslagen ten grondslag gelegd dat het gezamenlijke toetsingsinkomen van eiser, zijn toeslagpartner en zijn zoon van € 40.663,- de inkomensgrens van € 30.824,- uit artikel 14, eerste en derde lid, van de Wet op de huurtoeslag (Wht) overschrijdt. Daardoor bestaat geen aanspraak op huurtoeslag in 2019.
5.2.
In het herziene bestreden besluit II heeft de Dienst Toeslagen overwogen dat de bezwaarprocedure niet volledig correct is verlopen, daarom wordt het bestreden besluit II ingetrokken. Het toetsingsinkomen over 2019 is definitief vastgesteld op € 29.413,-. De Dienst Toeslagen is gehouden dit te volgen.
5.3.
Tot slot stelt de Dienst Toeslagen dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden om de terugvordering te matigen. Daarvan is geen sprake als de terugvordering – zoals in eisers geval – het gevolg is van een afwijking van het daadwerkelijke over het berekeningsjaar vastgestelde toetsingsinkomen voor de toeslagen en het geschatte inkomen op basis waarvan het voorschot is berekend.

Beoordeling door de rechtbank

Herziene besluiten
6. Omdat het bestreden besluit I is gewijzigd met het herziene bestreden besluit I en het bestreden besluit II is ingetrokken met het herziene bestreden besluit II, heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank geen belang meer bij de beoordeling van bestreden besluiten I en II. De rechtbank verklaart het beroep tegen die besluiten daarom niet-ontvankelijk.
6.1.
De rechtbank zal hierna de herziene bestreden besluiten I en II beoordelen.
Vaststelling huur- en zorgtoeslag
7. In geschil is of het juiste inkomen van eiser in aanmerking is genomen bij de berekening van de toeslagen.
7.1.
Huur- en zorgtoeslag zijn inkomensafhankelijke uitkeringen als bedoeld in de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir). De hoogte van de toeslag wordt berekend aan de hand van de draagkracht van een belanghebbende. [3] Deze draagkracht wordt, op grond van artikel 7, eerste lid, van de Awir bepaald op grond van het toetsingsinkomen. Gelet op artikel 8, eerste lid, van die wet wordt onder toetsingsinkomen het op het berekeningsjaar betrekking hebbende inkomensgegeven verstaan. Hiervoor wordt, gelet op artikel 2, eerste lid, aanhef en onder o, van de Awir, en artikel 21, onderdeel e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, gekeken naar het laatst bepaalde verzamelinkomen of het laatst bepaalde belastbare loon. Het inkomensgegeven wordt vastgesteld door de inspecteur voor de inkomstenbelasting.
7.2.
De rechtbank stelt voorop dat de inspecteur voor de inkomstenbelasting (in de volksmond Belastingdienst blauw) en de Dienst Toeslagen (in de volksmond Belastingdienst rood) twee verschillende bestuursorganen zijn, die los van elkaar staan en hun eigen bevoegdheden hebben. De inspecteur voor de inkomstenbelasting is bevoegd het verzamelinkomen en het vermogen vast te stellen. De Dienst Toeslagen is bevoegd de inkomensafhankelijke regelingen uit te voeren. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State [4] (ABRvS), de hoogste rechter in dit soort zaken, volgt dat de Dienst Toeslagen het inkomen en vermogen in aanmerking dient te nemen zoals dat volgt uit de aanslag inkomstenbelasting. Dit is het inkomensgegeven zoals vastgelegd in de BRI.
7.3.
De Dienst Toeslagen is bij het vaststellen van het recht op toeslag dan ook terecht uitgegaan van het toetsingsinkomen zoals vastgesteld door de inspecteur. Inmiddels heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch in eerder genoemde uitspraak overwogen dat het bedrag aan salaris vorderbaar en inbaar was en dat eiser aldus loon heeft genoten. Het door de inspecteur vastgestelde toetsingsinkomen is dan ook niet gewijzigd in hoger beroep. Uitgaande van dit inkomen is niet gesteld en gebleken dat de Dienst Toeslagen eisers toeslagen op onjuiste wijze heeft berekend.
7.4. Dat het recht op huur- en zorgtoeslag definitief is berekend op een lager bedrag dan het voorschotbedrag is het gevolg van het afwijkend inkomensgegeven. In de wet is bepaald dat het recht op huur- en zorgtoeslag inkomensafhankelijk is. Niet is gebleken dat de Dienst Toeslagen enig ander (ongerechtvaardigd) onderscheid heeft gemaakt bij de berekening van eisers recht op toeslagen.
Terugvordering
8. Eiser heeft voor het jaar 2019 een voorschot huurtoeslag van € 2.992,- en zorgtoeslag van € 2.314,- ontvangen. Het recht op huurtoeslag is definitief berekend op € 0,-en de zorgtoeslag op € 1.169,-, zodat de terugvorderingen € 2.920,- en € 1.210,- bedragen.
8.1.
In artikel 26 van de Awir is bepaald dat de betrokkene het bedrag van de terugvordering in zijn geheel verschuldigd is, als een herziening van een tegemoetkoming of voorschot leidt tot een terug te vorderen bedrag. De ABRvS heeft in haar uitspraak van
23 oktober 2019 [5] overwogen dat in artikel 26 van de Awir niet dwingend is voorgeschreven dat de Dienst Toeslagen het gehele bedrag dat de belanghebbende is verschuldigd terugvordert. De Dienst Toeslagen moet bij het besluit tot terugvordering op grond van artikel 3:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen afwegen en kan onder bijzondere omstandigheden van terugvordering afzien of het terug te vorderen bedrag matigen. De staatssecretaris van Financiën heeft in het Verzamelbesluit Toeslagen beleid over de terugvordering van toeslagen vastgesteld.
8.2.
De rechtbank is van oordeel dat de Dienst Toeslagen zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat in het geval van eiser geen sprake is van bijzondere omstandigheden, omdat de terugvordering het gevolg is van een afwijking van het daadwerkelijke over het berekeningsjaar vastgestelde toetsingsinkomen voor de toeslagen en het geschatte inkomen op basis waarvan het voorschot is berekend. Ook de door eiser geschetste omstandigheden zijn op zichzelf of in samenhang niet aan te merken als bijzondere omstandigheden, die na een belangenafweging reden zijn van terugvordering af te zien of te matigen. Niet gebleken is dat de nadelige gevolgen van de terugvordering voor eiser onevenredig zijn met de daarmee te dienen doelen. Dit betekent dat de Dienst Toeslagen de te veel betaalde huur- en zorgtoeslag over het jaar 2019 mocht terugvorderen.
8.3.
De rechtbank stelt vast dat de Dienst Toeslagen ten aanzien van de huurtoeslag in het herziene bestreden besluit I geen overweging heeft gewijd aan de vraag of sprake is van bijzondere omstandigheden die aanleiding vormen om van de terugvordering af te zien of het terug te vorderen bedrag te matigen. Eerst in het verweerschrift heeft de Dienst Toeslagen ten aanzien van de huurtoeslag hieraan een overweging gewijd. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat er een motiveringsgebrek kleeft aan het herziene bestreden besluit I, zoals ook door de Dienst Toeslagen is erkend in het verweerschrift en ter zitting. Dit gebrek kan met toepassing van artikel 6:22 van de Awb gepasseerd worden, omdat de Dienst Toeslagen in verweer alsnog heeft toegelicht dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden die zich verzetten tegen de (gehele) terugvordering. Niet aannemelijk is dat eiser hierdoor wordt benadeeld, nu de uitkomst blijft dat de Dienst Toeslagen de te veel betaalde huur- en zorgtoeslag over het jaar 2019 mocht terugvorderen. Wel geeft dit gebrek reden voor het toewijzen van een vergoeding van het griffierecht in het beroep betreffende de huurtoeslag.
Hoorzitting
9. Tussen partijen is niet in geschil dat de Dienst Toeslagen de hoorplicht heeft geschonden inzake het bezwaar over de zorgtoeslag 2019. Eiser is op 18 mei 2022 gebeld over zijn bezwaarschrift over de zorgtoeslag. Eiser heeft echter niet ingestemd met een telefonisch hoorgesprek. Eiser is na het beroepschrift alsnog uitgenodigd voor een hoorgesprek, wat heeft plaatsgevonden op 13 september 2022. Naar aanleiding van dit hoorgesprek is het herziene bestreden besluit II genomen. Door alsnog een hoorzitting te houden, is naar het oordeel van de rechtbank het gebrek hersteld. Dat in eerste instantie de hoorplicht is geschonden, maakt de uitkomst voor het recht op zorgtoeslag niet anders. Wel geeft ook dit gebrek reden voor het toewijzen van een vergoeding van het griffierecht in het beroep betreffende de zorgtoeslag.

Conclusie en gevolgen

10. De beroepen tegen de bestreden besluiten I en II zijn niet-ontvankelijk. De beroepen tegen de herziene bestreden besluiten I en II zijn ongegrond.
10.1.
De rechtbank ziet aanleiding te bepalen dat de Dienst Toeslagen het griffierecht voor beide beroepen (€ 49,- voor het beroep met zaaknummer BRE 21/2894 HUUR en € 50,- voor het beroep met zaaknummer BRE 22/3072 ZORG) aan eiser dient te vergoeden, nu de bestreden besluiten I en II zijn herzien en er een motiveringsgebrek kleeft aan het herziene bestreden besluit I. Van andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen tegen de bestreden besluit I en II niet-ontvankelijk;
  • verklaart de beroepen tegen de herziene bestreden besluit I en II ongegrond;
  • bepaalt dat de Dienst Toeslagen het griffierecht in beide zaken van in totaal € 99,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.E.C. Vriends, rechter, in aanwezigheid van C.M.A. Groenendaal, griffier, op 9 januari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Voetnoten

3.Dit staat in artikel 7, eerste lid, van de Wet op de huurtoeslag en artikel 1, tweede lid, van de Wet op de zorgtoeslag.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de ABRvS van 7 juli 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN0491.
5.Zie de uitspraak van de ABRvS van 23 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3536.