ECLI:NL:RBZWB:2026:613

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
29 januari 2026
Publicatiedatum
3 februari 2026
Zaaknummer
11988662 \ AZ VERZ 25-83
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Zander
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:673 lid 1 BWArt. 7:673 lid 7 BWArt. 7:677 lid 1 BWArt. 7:677 lid 2 BWArt. 7:677 lid 3 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vernietiging ontslag op staande voet wegens roekeloos handelen laborant

In deze arbeidsrechtelijke zaak verzoekt de werknemer, werkzaam als laborant, de vernietiging van zijn ontslag op staande voet. De werknemer had opzettelijk en in strijd met de geldende veiligheidsinstructies twee zuren gemengd, wat leidde tot een explosie in het laboratorium. Hoewel er geen ernstig letsel was, werd het incident als ernstig gevaarlijk beoordeeld.

De kantonrechter oordeelt dat het ontslag rechtsgeldig is, omdat de werknemer bewust en roekeloos handelde door af te wijken van het schoonmaakprotocol en daarmee zijn collega’s aan gevaar blootstelde. De werknemer had kennis van de instructies en was zelfs notulist bij de vastlegging daarvan. Het verzoek tot toekenning van een transitievergoeding wordt afgewezen vanwege ernstig verwijtbaar handelen.

Daarnaast verzoekt de werkgever een gefixeerde schadevergoeding toe te kennen, gelijk aan het loon over de opzegtermijn, wat wordt toegewezen. De vordering tot terugbetaling van kosten voor erkenning als kennismigrant wordt afgewezen omdat het beding onredelijk is toegepast bij ontslag door de werkgever. Het verzoek tot afgifte van een eindafrekening wordt toegewezen, terwijl het verzoek om overleggen van documenten wordt afgewezen wegens te late indiening en onvoldoende specificatie.

De proceskosten worden aan de werknemer opgelegd. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en is op 29 januari 2026 door kantonrechter Zander uitgesproken.

Uitkomst: Het ontslag op staande voet wordt als rechtsgeldig bevestigd en de werknemer wordt veroordeeld tot betaling van een gefixeerde schadevergoeding.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: 11988662 \ AZ VERZ 25-83
Beschikking van 29 januari 2026
in de zaak van
[werknemer]
wonende te [plaats 1]
verzoekende partij
verwerende partij in het tegenverzoek
hierna te noemen: [werknemer]
gemachtigde: mr. D.F. Oberman
tegen
[werkgever] B.V.
statutair gevestigd te [plaats 1] en kantoorhoudende te [plaats 2]
verwerende partij
verzoekende partij in het tegenverzoek
hierna te noemen: [werkgever]
gemachtigde: mr. M.A. Krieger
De zaak in het kort
In deze zaak verzoekt [werknemer] om vernietiging van het ontslag op staande voet dat [werkgever] aan hem heeft gegeven. De kantonrechter wijst het verzoekt af, omdat het ontslag (rechts)geldig is. Het tegenverzoek van [werkgever] tot betaling van een gefixeerde schadevergoeding wordt toegewezen. Haar vordering, op grond van een beding in een separate overeenkomst, om door haar gemaakte kosten te voldoen, wordt afgewezen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift;
- het verweerschrift, met een tegenverzoek;
- de mondelinge behandeling van de zaak ter zitting van 18 december 2025.
1.2.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de griffier aantekeningen gemaakt van hetgeen werd besproken. Mr. Oberman heeft spreekaantekeningen overgelegd. [werknemer] zelf heeft de door hem voorgedragen aantekeningen overgelegd.

2.De feiten

2.1.
[werkgever] is een laboratorium en onderzoeksbureau dat zich specialiseert in detectie en analyse van chroom-6 verbindingen en andere gevaarlijke stoffen.
2.2.
[werknemer] , die is geboren op [geboortedag] 1999, is op 1 augustus 2024 bij [werkgever] in dienst getreden. Vanaf 1 januari 2025 gold het dienstverband voor onbepaalde tijd. [werknemer] was gedurende 40 uur per week werkzaam in de functie van R&D Technician. Zijn loon bedroeg € 3.246,16 bruto per maand, exclusief vakantiebijslag.
2.3.
[werknemer] is arbeidsmigrant. Ten behoeve van zijn verblijf in Nederland heeft [werkgever] een verklaring als referent afgelegd [1] . Partijen zijn schriftelijk overeengekomen onder welke voorwaarden [werknemer] de in verband hiermee door [werkgever] gemaakte kosten aan haar moet vergoeden.
2.4.
Op 7 oktober 2025 is [werknemer] op staande voet ontslagen. De gemachtigde van [werkgever] heeft het ontslag schriftelijk bevestigd bij brief van 8 oktober 2025. Daarin is onder meer het volgende vermeld:

Middels dit schrijven bevestig ik namens cliënte dat u op 7 oktober 2025 door cliënte op staande voet bent ontslagen. Dit vanwege het feit dat u in ernstige mate de bekwaamheid dan wel geschiktheid mist tot de arbeid waarvoor u zich heeft verbonden, u opzettelijk dan wel ondanks waarschuwing roekeloos uw collega’s aan ernstig gevaar heeft blootgesteld, u opzettelijk dan wel ondanks waarschuwing roekeloos eigendom van cliënte heeft beschadigd en aan ernstig gevaar heeft blootgesteld en u op grove wijze de op u rustende plichten heeft verontachtzaamt.
En verder:

Op 7 oktober 2025 heeft er een zeer ernstig incident plaatsgevonden in het labaratorium waar u werkte. Er is een erlenmeyerfles met daarin geconcentreerd zoutzuur en salpeterzuur in de ultrasoonreiniger ontploft.
Uit de daarna direct door cliënte, u en het team uitgevoerde reconstructie bleek het volgende:
  • U heeft in strijd met alle geldende (veiligheids)protocollen, op eigen initiatief, zonder voorafgaand overleg met collega’s en/of cliënte en zonder toestemming van cliënte bewust twee zeer gevaarlijke stoffen met elkaar gemengd in onbekende verhoudingen;
  • U bent bewust afgeweken van het geldende schoonmaakprotocol m.b.t. de schoonmaakprocedure voor magneten;
  • U heeft de fles met daarin de bovengenoemde substantie bewust luchtdicht afgesloten, waardoor een gasdrukopbouw plaatsvond en daarmee bewust het risico op een explosie aanvaard;
  • U heeft uw collega’s niet ingelicht en/of gewaarschuwd, waardoor voorafgaand aan de explosie drie collega’s de betreffende fles nog in handen hebben gehad en daarmee bewust deze collega’s aan ernstig gevaar blootgesteld. Deze collega’s zijn door het oog van de naald gekropen en hadden ernstig gewond kunnen raken of erger;
  • Uw handelen heeft geleid tot een explosie in het laboratorium met schade aan eigendommen van cliënte tot gevolg;
  • Tijdens het teamoverleg en de evaluatie na afloop van het incident nam u geen enkele verantwoordelijkheid m.b.t. het incident, dit leidde bij het team tot heftige emoties waardoor uw collega’s (het volledige team) hebben uitgesproken niet meer met u samen te willen werken en twee collega’s heftig geëmotioneerd zijn uitgevallen.
Bovenstaande leverde samen met de voorgeschiedenis (waarover hierna meer) , een dringende reden voor ontslag op ex. art. art. 7:677 BW Pro juncto art. 7:678 lid 2 sub Pro b, g, h, en k BW.
Cliënte heeft u hierop op staande voet ontslagen.
(…)

3.Het verzoek

3.1.
Volgens [werknemer] is het aan hem gegeven ontslag op staande voet niet rechtsgeldig. In zijn verzoekschrift vraagt hij primair om dat ontslag te vernietigen en [werkgever] te veroordelen hem tot zijn werkzaamheden toe te laten en zijn loon vanaf 7 oktober 2025 te betalen, vermeerderd met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente. Subsidiair verzoekt hij betaling van diverse vergoedingen, alsmede betaling van achterstallig loon en overlegging van een eindafrekening. En voor het geval dat wordt geoordeeld dat het ontslag rechtsgeldig is verzoekt hij om [werkgever] te veroordelen tot betaling van de transitievergoeding, alsmede om een deugdelijke eindafrekening over te leggen.
3.2.
In zijn verzoekschrift vraagt [werknemer] tevens om een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat [werkgever] het loon vanaf 7 oktober 2025 tot aan de rechtsgeldige beëindiging van het dienstverband betaalt en hem in staat stelt de overeengekomen werkzaamheden te verrichten.
3.3.
Bij brief van 10 december 2025 verzoekt [werknemer] op de voet van het bepaalde in artikel 22 lid 1 Rv Pro om [werkgever] te bevelen de in die brief vermelde e-mailcorrespondentie, interne documenten en persoonlijke notitieboeken over te leggen.

4.Het verweer en het tegenverzoek

4.1.
[werkgever] voert verweer. Zij betoogt dat de verzoeken moeten worden afgewezen. Daarnaast verzoekt zij om [werknemer] te veroordelen tot betaling van € 3.246,16 als gefixeerde schadevergoeding en tot betaling van een bedrag van € 2.279,00.
Voor het geval dat er nog een dienstverband bestaat verzoekt zij dit per 1 december 2025, althans per een in goede justitie te bepalen datum te ontbinden en [werknemer] te veroordelen tot betaling van € 2.279,00 en zijn vordering ex artikel 22 Rv Pro af te wijzen.

5.De beoordeling van de verzoeken van [werknemer]

Ontslag op staande voet
5.1.
Het gaat in deze zaak in de kern om de vraag of het ontslag op staande voet moet worden vernietigd en [werkgever] moet worden veroordeeld om [werknemer] tot de overeengekomen werkzaamheden toe te laten en het loon door te betalen.
5.2.
Op grond van de wet zijn beide partijen bij een arbeidsovereenkomst bevoegd die overeenkomst onverwijld op te zeggen wegens een dringende reden [2] . De dringende reden moet onverwijld aan de wederpartij worden meegedeeld. Voor een werkgever worden als dringende redenen voor onverwijlde opzegging van de arbeidsovereenkomst beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren [3] . Bij de beoordeling van de vraag of van een dringende reden sprake is moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen.
5.3.
De kantonrechter oordeelt dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is. Hierna wordt uitgelegd hoe hij tot dit oordeel is gekomen.
5.4.
Tot de werkzaamheden van medewerkers bij [werkgever] hoort het reinigen van magneten. In het verslag van het teamoverleg op 15 mei 2025 is opgetekend dat dit gebeurt door die magneten eerst te spoelen met milliQ-water en ze vervolgens gedurende 99 minuten in zuur te soneren. Aan het einde van de werkdag worden de magneten bewaard in HCl (zoutzuur) en in een sonicator (ultrasoonreiniger) geplaatst. In de ochtend worden de magneten minstens 20 minuten in aceton gesoneerd voor gebruik. Deze werkwijze is bevestigd in de besluitenlijst bij het verslag van het overleg op 28 mei 2025. Notulist bij beide overleggen was [werknemer] .
5.5.
Op 6 oktober 2025 heeft [werknemer] verontreinigde magneten gevoegd bij andere magneten die op dat moment al werden gereinigd in een erlenmeyer (laboratoriumfles) met daarin zoutzuur. Vervolgens heeft hij salpeterzuur toegevoegd, de dop van de erlenmeyer dichtgedraaid en de erlenmeyer geplaatst in de sonicator die in de afvalruimte stond. Door een chemische reactie van de twee zuren is in de erlenmeyer druk opgebouwd waardoor die uiteindelijk is geëxplodeerd.
5.6.
De explosie heeft materiële schade veroorzaakt, zij het dat die relatief gering was. Geen van de aanwezigen heeft letsel opgelopen, met uitzondering van tijdelijke gehoor-schade bij een van hen. Dit incident had veel ernstiger kunnen aflopen, te meer omdat, zoals [werknemer] in zijn verzoekschrift vermeldt, enkele collega’s de erlenmeyer nog in handen hebben gehad, althans hebben beoordeeld omdat de inhoud daarvan van kleur veranderde en hen de oorzaak daarvan niet duidelijk was.
5.7.
Diezelfde avond schreef een van de directieleden van [werkgever] in de groepsapp dat hij de volgende dag met het team het voorval wilde evalueren en dan ook graag ideeën vernam om zoiets in de toekomst te voorkomen. Daaraan voegde hij toe: “
There is no one to blame, and I’m very happy that nobody got hurt.” [werknemer] wijst op dit WhatsAppbericht maar de mededeling dat niemand schuld heeft pleit hem niet vrij. Ter zitting verklaarde het andere directielid van [werkgever] namelijk dat op het moment van schrijven [werkgever] nog niet wist dat er protocollen waren geschonden. De handelwijze van [werknemer] was dan ook geen vergissing.
De dag na het incident heeft een evaluatie met het personeel plaatsgevonden. In het verslag daarvan is opgetekend dat de technician (kantonrechter: [werknemer] ) aangaf dat hij dit eerder zonder problemen had gedaan en hij daarom aannam dat het veilig was. En ter zitting verklaarde [werknemer] desgevraagd dat hij van de procedure was afgeweken teneinde de magneten op een meer efficiëntere wijze schoon te maken. Ook nu zei hij dat hij dit al vaker had gedaan en hij niet dacht dat het onveilig was. Verder verklaarde [werknemer] dat hij zich niet kon herinneren of hij toestemming had gevraagd om van het protocol af te wijken. Daarentegen volgt uit een van de schriftelijke verklaringen van collega’s dat [werknemer] voorafgaande aan het incident nog heeft gevraagd of de procedure voor het reinigen van de magneten was veranderd, waarop de betreffende collega volgens haar verklaring ontkennend antwoordde. [werknemer] heeft deze verklaring niet weersproken.
5.8.
[werkgever] verwijst naar de functieomschrijving van een R&D Technician waarin is opgenomen: “
The R&D Technician is crucial for ensuring that all laboratory operations comply with safety standards, particularly when working with hazardous and CMR chemicals.” en dat een van zijn “
key responsibilities” luidt: “
Follow all safety protocols when handling hazardous CMR chemicals.” en “
Ensure all work complies with relevant regulations en [werkgever] ’s quality management system (ISO17025).
[werknemer] voert aan dat [werkgever] geen goedgekeurd of duidelijk gedefinieerd veiligheidsprotocol, noch een goedgekeurde SOP (standard operating procedure) kent maar de in de hierboven vermelde overleggen vastgestelde uniforme werkwijze voor het reinigen van magneten is voldoende duidelijk. Bovendien heeft [werknemer] als notulist bij die overleggen de werkwijze zelf opgetekend en in een e-mail van 15 mei 2025 onder het personeel verspreid. Hij wist dus op welke wijze hij volgens [werkgever] magneten moest reinigen en diende overeenkomstig zijn functieomschrijving daarnaar te handelen. Hij is echter bewust van dat protocol afgeweken en heeft dusdoende roekeloos gehandeld.
5.9.
Niet lang voordat dit incident plaatsvond heeft [werknemer] ook andere werkzaamheden uitgevoerd waarbij hij niet volgens de geldende procedures handelde. Het ging toen om het niet correct labelen van onderzoekbuisjes. Uit een e-mail van 1 oktober 2025 van een van de directeuren van [werkgever] aan [werknemer] volgt dat daarover met [werknemer] is gesproken en dat [werknemer] dit naar eigen zeggen zou hebben gedaan om sneller te werken. De directeur schreef dat snelheid nooit ten koste van de kwaliteit van het werk mag gaan. In zekere zin was [werknemer] dus gewaarschuwd om zich aan geldende procedures te houden.
5.10.
Door zijn handelen heeft [werknemer] aan [werkgever] een dringende reden voor ontslag gegeven. [werkgever] heeft dit nog dezelfde dag waarop het incident plaatsvond (mondeling) verleend. [werknemer] maakt er een punt van dat in de brief van 8 oktober 2025 waarmee het ontslag werd bevestigd een onjuiste datum is vermeld, maar dat is niet relevant aangezien [werknemer] weet dat het incident op 6 oktober 2025 plaatsvond. Verder wordt voorbij gegaan aan de door hem genoemde omstandigheid dat geen hoor- en wederhoor zou hebben plaats-gevonden. Niet alleen is voor een rechtsgeldig ontslag op staande voet van een werknemer niet vereist dat die voorafgaande aan de beslissing daartoe wordt gehoord, in dit geval heeft [werknemer] tijdens de evaluatie van het incident een dag nadien, zijn visie op de oorzaak daarvan kunnen delen. Als laatste gebrek dat aan het ontslag op staande voet zou kleven voert [werknemer] aan dat sprake is van verwijtbaar handelen aan de kant van [werkgever] . Voor zover hij hiermee bedoelt dat veiligheidsvoorschriften niet duidelijk zouden zijn gecommuniceerd of zelfs niet aanwezig waren gaat hij ten onrechte voorbij aan de herhaalde instructie inzake het reinigen van magneten waarvan hij kennis heeft genomen.
5.11.
[werkgever] heeft nadat zij op 7 oktober 2025 in de evaluatie kennis kreeg van de toedracht van het incident mondeling aan [werknemer] het ontslag verleend. Daarmee is voldaan aan de door de wet vereiste onverwijldheid.
5.12.
Aangezien het oordeel luidt het ontslag rechtsgeldig is wordt het verzoek van [werknemer] tot vernietiging van het ontslag op staande voet afgewezen.
Switch
5.13.
In zijn verzoekschrift verzocht [werknemer] subsidiair, voor het geval dat hij alsnog zou berusten in het einde van de arbeidsovereenkomst, om aan hem een billijke vergoeding toe te kennen en [werkgever] te veroordelen tot betaling van de transitievergoeding en een vergoeding wegens onregelmatige opzegging. Evenwel heeft [werknemer] ook tijdens de mondelinge behandeling van de zaak niet in de beëindiging van de arbeidsovereenkomst berust. Desgevraagd verklaarde hij dat hij er de voorkeur aan geeft om weer bij [werkgever] werkzaam te zijn. Gelet hierop behoeft op de subsidiair gedane verzoeken tot toekenning van een billijke vergoeding en een vergoeding wegens onregelmatige opzegging niet te worden beslist.
Transitievergoeding
5.14.
Ook voor het geval hij niet in het ontslag zou berusten vraagt [werknemer] om een transitievergoeding toe te kennen.
5.15.
Overwogen wordt dat in beginsel de werkgever een transitievergoeding aan de werknemer verschuldigd is wanneer de arbeidsovereenkomst door de werkgever is opgezegd. [4] De transitievergoeding is echter niet verschuldigd indien het eindigen of niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer. [5] Dat is hier het geval. [werknemer] heeft in weerwil van de bij hem bekende instructie bewust, althans roekeloos chemicaliën gemengd en dit mengsel in een afgesloten erlenmeyer bewaard, waardoor een explosie heeft plaatsgevonden. Dat die explosie geen letsel of grote materiële schade heeft veroorzaakt doet niet af aan de ernstige verwijtbaarheid van zijn handelen. Het verzoek om [werkgever] te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding wordt daarom afgewezen.
Achterstallig loon
5.16.
Ook de enkel subsidiair ingestelde vordering tot betaling van € 3.895,84 aan achterstallig loon wordt afgewezen. [werknemer] verwijst naar twee bepalingen in zijn arbeidsovereenkomst die (voor zover hier van belang) luiden:

6.1 The Employee’s salary, at the time of employment commencement, is EUR 3246,16 gross per month, excluding vacation allowance. This salary is determined in accordance with salary scale 8 of the CAO Rijk, with the Employee starting at 0 years of experience.
(...)
6.3
The Employer follows the CAO Rijk for salary scales and CAO increases, with the exception of special and one-time bonuses mentioned in the CAO. These will not apply to the Employee’s employment agreement.
[werknemer] betoogt dat de Cao-schaal is gebaseerd op een 36-urige werkweek, terwijl hij steeds 40 uur per week werkzaam was. Gedurende zijn dienstverband heeft dus wekelijk 4 uur meer gewerkt. In totaal is dit 208 uur geweest. Bij een uurloon van € 18,73 is [werkgever] hem daarom nog € 3.895,84 aan loon verschuldigd, aldus [werknemer] . Daarin wordt hij echter niet gevolgd. In de geciteerde bepaling 6.1 is het (aanvangs)loon vermeld. Voor de hoogte van het bedrag is verwezen naar de salarissentabel in de Cao Rijk. In de arbeidsovereenkomst is niet vermeld dat het betreffende bedrag gerelateerd is aan een 36-urige werkweek en moet worden omgerekend naar 40 uur per week. Wel is vermeld dat de werkgever de Cao Rijk volgt waar het gaat om salarisschalen en loonsverhogingen volgens de Cao Rijk maar (ook) daarmee is niet gezegd dat het loon van [werknemer] gelijk is aan dat van een rijksambtenaar in dezelfde schaal.
Eindafrekening
5.17
[werknemer] ’s vordering om een deugdelijke eindafrekening op te maken en daarvan aan hem een specificatie te verstrekken kan wel worden toegewezen. [werkgever] heeft daartegen geen verweer gevoerd. Nu niet is gesteld of gebleken dat [werkgever] niet aan deze verplichting zal voldoen bestaat geen grond om aan de veroordeling een dwangsom te verbinden, zoals [werknemer] wil.
Voorlopige voorziening
5.18.
Omdat in deze beschikking al een beslissing wordt gegeven op het verzoek van [werknemer] in de hoofdzaak is er geen reden meer om met toepassing van artikel 223 Rv Pro de door hem gevraagde voorlopige voorziening te treffen. Een voorlopige voorziening op grond van dat artikel kan immers alleen worden getroffen voor de duur van het geding. Het betreffende verzoek wordt daarom afgewezen.
Overleggen bescheiden
5.19.
Ook het verzoek om [werkgever] te bevelen e-mailcorrespondentie, interne documenten en persoonlijke notitieboeken van [werknemer] over te leggen wordt afgewezen. Volgens [werknemer] ’s verzoek van 10 december 2025 kunnen de betreffende documenten een bijdrage leveren aan het aantonen dat geen sprake was van een dringende reden. Daarvoor is het verzoek te laat ingediend - twee maanden na het ontslag en nota bene ruim een week nadat hij zijn verzoek tot vernietiging van het ontslag al had ingediend en dat een week later ter zitting zou worden behandeld. Bovendien is [werkgever] in haar verweerschrift ingegaan op de inhoud van enkele van de gevraagde stukken en kan van haar niet worden gevergd dat zij in het tijdsbestek van een week niet nauwkeurig, bijvoorbeeld door middel van data, aangewezen, maar in algemene bewoordingen aangeduide stukken in de procedure brengt. Tot slot wordt vastgesteld dat [werkgever] heeft gesteld dat zij de gevraagde notitieboeken per post naar [werknemer] ’s huisadres heeft gestuurd en zij die dus niet kan afgeven.
Proceskosten
5.20.
De kosten van deze procedure komen voor rekening van [werknemer] , omdat hij ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [werkgever] worden vastgesteld op € 949,00 (€ 814,00 wegens salaris gemachtigde en € 135,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.

6.De beoordeling van het tegenverzoek van [werkgever]

Gefixeerde schadevergoeding
6.1.
Het verzoek van [werkgever] om [werknemer] te veroordelen tot betaling van de gefixeerde vergoeding ten bedrage van € 3.246,16 wordt toegewezen. Uit de wet volgt dat de partij bij een arbeidsovereenkomst die door opzet of schuld aan de andere partij een dringende reden heeft gegeven om de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen, aan die andere partij een vergoeding verschuldigd is indien die partij van de bevoegdheid tot onverwijlde opzegging gebruik heeft gemaakt [6] . Uit de overwegingen onder het kopje ‘Ontslag op staande voet’ hierboven volgt dat [werknemer] aan [werkgever] een dringende reden heeft gegeven om de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen. De vergoeding die hij daarvoor verschuldigd is, is gelijk aan het loon over de termijn die de arbeidsovereenkomst nog zou voortduren in het geval dat die op de gewone wijze zou zijn opgezegd [7] . In dit geval zou de gewone opzegtermijn een maand bedragen [8] . De gevorderde vergoeding is gelijk aan het brutoloon van een maand.
6.2.
De wettelijke rente over deze vergoeding wordt toegewezen vanaf 7 oktober 2025 [9] .
Kosten erkenning als referent
6.3.
De vordering om € 2.279,00 aan [werkgever] te betalen wordt afgewezen. In een door [werknemer] ondertekende overeenkomst is opgenomen dat [werkgever] dat bedrag aan kosten heeft gemaakt voor de aanvraag om [werknemer] door de minister van Asiel en Migratie (IND) als zogeheten Highly Skilled Migrant te doen erkennen en voor hem een verblijfsvergunning te verkrijgen. [werknemer] heeft er volgens de overeenkomst mee ingestemd dat hij bij opzegging van de arbeidsovereenkomst door hemzelf of bij vertrek uit het bedrijf (“
if the Employee voluntarily resigns or leaves the company”) binnen een jaar na het verkrijgen van vermelde erkenning, hij het gevorderde bedrag aan [werkgever] zou betalen. In het geval [werknemer] na het eerste jaar, maar voor het einde van het tweede jaar [10] [werkgever] zou verlaten diende hij de helft van dat bedrag te betalen.
6.4.
Wat in de overeenkomst onder “
leaves the company” moet worden verstaan is niet nader gedefinieerd. Klaarblijkelijk verstaat [werkgever] hieronder ook een vertrek als gevolg van het door haarzelf gegeven ontslag op staande voet. Daarmee is de mogelijkheid om het beding in te roepen dus – mede – afhankelijk van de wil van [werkgever] om [werknemer] te ontslaan. Naar het oordeel van de kantonrechter is het in strijd met de redelijkheid en billijkheid om in zo’n geval een beroep te doen op een terugbetalingsverplichting uit de overeenkomst.
Proceskosten
6.5.
Gelet op de beperkte omvang van het debat wordt bepaald dat partijen ieder hun eigen proceskosten moeten betalen.

7.De beslissing

De kantonrechter
op de verzoeken van [werknemer]
7.1.
veroordeelt [werkgever] tot afgifte aan [werknemer] van een deugdelijke eindafrekening;
7.2.
veroordeelt [werknemer] in de proceskosten van € 949,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening indien [werknemer] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend;
7.3.
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad [11] ;
7.4.
wijst het meer of anders verzochte af;
op het tegenverzoek van [werkgever]
7.5.
veroordeelt [werknemer] tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding van € 3.246,16 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 7 oktober 2025 tot aan de dag van de gehele betaling;
7.6.
verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
7.7.
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
7.8.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Zander en is in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2026.

Voetnoten

1.Artikel 2a lid 2 Vreemdelingenwet.
2.Artikel 7:677 lid 1 BW Pro.
3.Artikel 7:678 lid 1 BW Pro.
4.Artikel 7:673 lid 1 BW Pro.
5.Artikel 7:673 lid Pro 7, onder c, BW.
6.Artikel 7:677 lid 2 BW Pro.
7.Artikel 7:677 lid Pro 3, aanhef en onder a BW.
8.Artikel 7:672 lid 4 BW Pro.
9.Artikel 7:686a lid 1 BW.
10.De kantonrechter veronderstelt dat dit is bedoeld.
11.Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.