ECLI:NL:RBZWB:2026:6356

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
13 juli 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
BRE 26/2276
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 6:2 AwbArt. 6:7 AwbArt. 6:9 AwbArt. 8:54 Awb
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen intrekking omzetbelastingnummer niet-ontvankelijk en ongegrond verklaard

Belanghebbende maakte bezwaar tegen brieven van de inspecteur over het intrekken van het omzetbelastingnummer. Na ingebrekestelling wegens niet tijdig beslissen reageerde de inspecteur dat er geen sprake was van een voor bezwaar vatbare beschikking, waardoor de bezwaren niet in behandeling konden worden genomen.

Belanghebbende stelde beroep in wegens niet tijdig beslissen en tegen de brieven van 30 en 31 maart 2026. De rechtbank oordeelde dat de brief van 30 maart 2026 een schriftelijke weigering tot beslissing op bezwaar inhoudt, waardoor het beroep wegens niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk is. Het beroep tegen de brieven is ontvankelijk maar kennelijk ongegrond.

De rechtbank stelde vast dat binnen het belastingrecht tegen het intrekken van een omzetbelastingnummer geen bezwaar openstaat omdat het geen voor bezwaar vatbare beschikking betreft. De inspecteur had de bezwaren niet-ontvankelijk moeten verklaren en het verzoek om een dwangsom moeten afwijzen. Belanghebbende had echter geen belang bij wijziging van de beslissing, omdat de uitkomst hetzelfde zou zijn geweest.

De rechtbank verklaarde het beroep wegens niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk en het beroep tegen de brieven ongegrond, waardoor het bestreden besluit in stand blijft. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep wegens niet tijdig beslissen is niet-ontvankelijk en het beroep tegen de brieven van 30 en 31 maart 2026 is kennelijk ongegrond verklaard, waardoor het besluit tot intrekking van het omzetbelastingnummer in stand blijft.

Uitspraak

BRECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 26/2276

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 juli 2026 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] (Duitsland), belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. Belanghebbende heeft met dagtekening 19 december 2025 en 30 december 2025 bezwaar gemaakt tegen brieven van de inspecteur over het intrekken van het omzetbelastingnummer.
1.1.
Op 19 maart 2026, ontvangen door de inspecteur op 23 maart 2026, heeft belanghebbende de inspecteur in gebreke gesteld wegens het niet tijdig nemen van uitspraken op bezwaar.
1.2.
De inspecteur heeft bij brief van 30 maart 2026 gereageerd op de ingebrekestelling en de beslissingen waartegen belanghebbende bezwaar wilde maken. Er is volgens de inspecteur geen sprake van een voor bezwaar vatbare beschikking, waardoor de bezwaren niet in behandeling kunnen worden genomen.
1.3.
De inspecteur heeft bij brief van 31 maart 2026 gereageerd op het verzoek om een dwangsom. De inspecteur komt niet toe aan het beoordelen van het recht op een dwangsom, omdat de ingebrekestelling niet ziet op een aanvraag in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
1.4.
Op 20 april 2026 dient belanghebbende beroep in wegens het niet tijdig beslissen op de bezwaarschriften en verzoekt om het toepassen van de dwangsomregeling.
1.5.
Omdat het beroep kennelijk ongegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Awb maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

Is er sprake van een beroep niet tijdig beslissen?
2. Belanghebbende heeft beroep ingesteld, omdat zij van mening is dat er nog steeds niet op haar bezwaren is beslist. De rechtbank constateert dat de inspecteur zich in de brieven van 30 maart 2026 en 31 maart 2026 op het standpunt heeft gesteld dat niet wordt toegekomen aan de beoordeling van de bezwaren en het recht op een dwangsom, omdat geen sprake is van een voor bezwaar vatbare beschikking en ook geen sprake is van een aanvraag in de zin van artikel 1:3 Awb Pro.
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat de brief van 30 maart 2026 een schriftelijke weigering om te beslissen op de ingediende bezwaarschriften inhoudt. Deze weigering wordt op grond van de wet gelijkgesteld met een besluit waartegen beroep openstaat. [1] Er is dan ook geen sprake van een beroep niet tijdig beslissen. Het beroep niet tijdig beslissen is dus niet-ontvankelijk. De rechtbank vat het beroepschrift (mede) op als gericht tegen de brieven van 30 maart 2026 en 31 maart 2026.
Is het beroep tegen de brieven van 30 maart 2026 en 31 maart 2026 ontvankelijk en gegrond?
3. Voor het indienen van een beroepschrift geldt een termijn van zes weken. [2] Een beroepschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. [3] Het beroepschrift is gericht tegen de brieven van 30 maart 2026 en 31 maart 2026. De rechtbank heeft het beroepschrift op 17 april 2026 ontvangen. Het beroepschrift is tijdig ingediend en daarom ontvankelijk.
3.1.
De rechtbank beoordeelt of de inspecteur terecht heeft besloten de bezwaren niet in behandeling te nemen. Alhoewel de rechtbank van oordeel is dat de inspecteur terecht de bezwaren niet inhoudelijk heeft behandeld, vindt de rechtbank dat hij wel uitspraak op bezwaar had moeten doen. De bezwaren van belanghebbende zien op het intrekken van het omzetbelastingnummer. Een dergelijke brief is wel op de belastingwet gebaseerd, maar betreft geen voor bezwaar vatbare beschikking. Uit de stukken blijkt evenmin dat door belanghebbende bezwaar is aangetekend tegen een voor bezwaar vatbare beschikking waarop het bestuursorgaan had moeten beslissen. Binnen het belastingrecht staat dan niet de mogelijkheid van bezwaar open. Als toch bezwaar wordt gemaakt, dan wordt deze niet inhoudelijk beoordeeld. Het bezwaar is dan niet-ontvankelijk. De inspecteur had de bezwaren niet-ontvankelijk moeten verklaren en het verzoek om een dwangsom af moeten wijzen.
3.2.
Hoewel de beslissing van de inspecteur naar het oordeel van de rechtbank niet juist is, heeft belanghebbende geen belang bij de wijziging van de beslissing. Een niet-ontvankelijkverklaring van de bezwaren zou immers tot dezelfde feitelijke uitkomst leiden, te weten dat de bezwaren (om dezelfde reden) niet inhoudelijk worden beoordeeld. Ook behandeling van het verzoek om een dwangsom had slechts tot het afwijzen van het verzoek kunnen leiden omdat het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is. Het beroep is ongegrond. [4]

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep wegens niet tijdig beslissen is niet-ontvankelijk. Het beroep tegen de brieven 30 maart 2026 en 31 maart 2026 is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
 verklaart het beroep wegens niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk;
 verklaart het beroep tegen de brieven van 30 maart 2026 en 31 maart 2026 ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van
mr. W. Dekkers, griffier.
griffier rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Artikel 6:2 van Pro de Awb.
2.Dit volgt uit artikel 6:7 van Pro de Awb.
3.Dit volgt uit artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.
4.Vgl. Hoge Raad 18 juli 2026, ECLI:NL:HR:2022:1033 en Hoge Raad 23 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1283.