Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juli 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
Dienst Toeslagen (voorheen Belastingdienst/Toeslagen), verweerder.
Samenvatting
Procesverloop
Beoordeling door de rechtbank
Eiseres heeft opnieuw kinderopvangtoeslag aangevraagd voor de periode 21 maart 2019 tot en met 5 juli 2019. Bij besluit van 23 juli 2019 heeft zij voor de periode van 21 maart 2019 tot en met 1 mei 2019 een voorschot kinderopvangtoeslag ontvangen voor dagopvang bij [peuteropvang] . Bij besluit van 21 september 2019 heeft zij met ingang van 2 mei 2019 een voorschot kinderopvangtoeslag voor de Bso ontvangen.
De neerwaartse correcties waren naar aanleiding van de melding die Dienst Toeslagen op 24 april 2019 van DUO had ontvangen. Uit deze melding bleek dat de dochter van eiseres was begonnen aan het basisonderwijs. Aan eiseres is in de brief van 27 april 2019 uitgelegd dat er enkel recht op kinderopvangtoeslag voor buitenschoolse opvang bestaat en dat het recht op dagopvang vervalt. Hierna heeft eiseres de stopzetting op 2 mei 2019 digitaal doorgegeven. Op 12 augustus 2019 is opnieuw kinderopvangtoeslag aangevraagd, met ingangsdatum 2 mei 2019. Daarna is definitief beschikt op de aanvraag voor buitenschoolse opvang. Voor het toeslagjaar 2019 heeft eiseres overeenkomstig de ingediende aanvragen kinderopvangtoeslag ontvangen. Het definitief vastgestelde bedrag is gebaseerd op de aanvragen en op de werkelijke afgenomen kinderopvang.
Dit neemt echter niet weg dat er sprake kan zijn van zodanige feiten en omstandigheden dat toch gesproken kan worden van vooringenomenheid. Volgens eiseres is hiervan sprake omdat zij vervolgens niet in de gelegenheid is gesteld om aan te tonen dat geen sprake was van het volgen van basisonderwijs. Eiseres heeft op zitting gesteld dat haar dochtertje vanaf 21 maart 2019 twee dagen naar de peuterspeelzaal ging en daarnaast op een revalidatiebasisschool fysiotherapie en ergotherapie kreeg.