ECLI:NL:RBZWB:2026:6555

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
17 juli 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
BRE 25/3249
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WhtArt. 9.1 WhtArt. 8:42 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing compensatie kinderopvangtoeslag op grond van Wet hersteloperatie toeslagen

Eiseres verzocht om compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) vanwege stopzetting van haar kinderopvangtoeslag in 2019. Dienst Toeslagen had de compensatie geweigerd omdat er geen sprake was van institutionele vooringenomenheid of hardheid van het stelsel. De rechtbank bevestigt dat eiseres niet voldoet aan de voorwaarden voor compensatie.

De feiten betreffen de stopzetting van de kinderopvangtoeslag na een melding van DUO dat de dochter van eiseres onderwijs volgde. Eiseres voerde aan dat haar dochter geen regulier basisonderwijs volgde, maar therapie op een revalidatiebasisschool, en dat Dienst Toeslagen vooringenomen had gehandeld door niet nader uit te vragen. De rechtbank oordeelt dat Dienst Toeslagen op basis van de beschikbare informatie en het toen geldende beleid juist heeft gehandeld.

De rechtbank overweegt dat het dossier voldoende was voor beoordeling en dat het beleid rond vooringenomenheid pas later is aangepast, waardoor geen strijd met rechtszekerheid is. Ook de hardheidsregeling en hardheidsclausule worden niet van toepassing geacht, omdat geen schrijnende of onbillijke situatie is vastgesteld. Wel wordt een vergoeding van €1.500 toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaarprocedure. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en veroordeelt Dienst Toeslagen tot betaling van deze vergoeding en proceskosten.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard en compensatie wordt geweigerd, maar een vergoeding van €1.500 wordt toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/3249

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juli 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. S. Arakelyan),
en

Dienst Toeslagen (voorheen Belastingdienst/Toeslagen), verweerder.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het verzoek van eiseres om compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Eiseres is het niet eens met deze afwijzing. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiseres niet voldoet aan de voorwaarden om voor compensatie in aanmerking te komen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft verzocht om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag over het jaar 2019.
Met het besluit van 16 december 2022 (primair besluit) is aangegeven dat eiseres geen compensatie krijgt vanwege haar situatie met de kinderopvangtoeslag. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Met het bestreden besluit van 20 mei 2025 op het bezwaar van eiseres is Dienst Toeslagen bij het besluit van 16 december 2022 gebleven.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 25 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, mr. H. Heinink, kantoorgenoot van de gemachtigde van eiseres, en namens Dienst Toeslagen mr. [vertegenwoordiger 1] en mr. [vertegenwoordiger 2] .
De rechtbank heeft de uitspraaktermijn verlengd.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of Dienst Toeslagen eiseres terecht geen compensatie op grond van de Wht heeft toegekend.
3.1.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten
4. Eiseres ontving in het jaar 2019 kinderopvangtoeslag voor de dagopvang van haar op [geboortedag] 2014 geboren dochter. Haar dochter zat vanaf 21 maart 2019 op [peuteropvang] .
Op 24 april 2019 kreeg Dienst Toeslagen van de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) het bericht dat de dochter van eiseres onderwijs volgt. Dienst Toeslagen heeft vervolgens bij brief van 27 april 2019 aan eiseres medegedeeld dat de kinderopvangtoeslag voor dagopvang stopt en dat indien haar dochter nog naar de opvang gaat, zij in aanmerking kan komen voor kinderopvangtoeslag voor buitenschoolse opvang (Bso).
Eiseres heeft hierover op 2 mei 2019 telefonisch contact met Dienst Toeslagen gehad. Eiseres heeft in dat telefoongesprek gesteld dat haar kind naar de peuterspeelzaal gaat en daarnaast voor therapie naar een revalidatiebasisschool, niet zijnde een reguliere basisschool. Een medewerker van Dienst Toeslagen heeft daarop aangegeven dat in dat geval het recht op kinderopvangtoeslag voor dagopvang komt te vervallen en alleen aanspraak kan worden gemaakt op kinderopvangtoeslag voor Bso. Eiseres heeft vervolgens de kinderopvangtoeslag op 2 mei 2019 stopgezet.
4.1.
In de voorschotbeschikking van 21 mei 2019 is aangegeven dat eiseres vanaf 21 maart 2019 geen kinderopvangtoeslag ontvangt.
Eiseres heeft opnieuw kinderopvangtoeslag aangevraagd voor de periode 21 maart 2019 tot en met 5 juli 2019. Bij besluit van 23 juli 2019 heeft zij voor de periode van 21 maart 2019 tot en met 1 mei 2019 een voorschot kinderopvangtoeslag ontvangen voor dagopvang bij [peuteropvang] . Bij besluit van 21 september 2019 heeft zij met ingang van 2 mei 2019 een voorschot kinderopvangtoeslag voor de Bso ontvangen.
4.2.
Eiseres heeft op 25 augustus 2021 verzocht om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag over het jaar 2019.
Met het besluit van 16 februari 2022 heeft Dienst Toeslagen aangegeven dat er op basis van de lichte toets geen reden is om eiseres € 30.000,- te betalen.
De Commissie van Wijzen heeft in haar advies van 23 november 2022 geoordeeld dat gedurende het jaar 2019 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of van bijzondere omstandigheden. Eiseres is ook niet beticht van opzet of grove schuld.
4.3.
Met het primaire besluit van 16 december 2022 heeft Dienst Toeslagen conform het advies van de Commissie van Wijzen geconcludeerd dat de neerwaartse correctie voor het toeslagjaar 2019 een reguliere bijstelling betrof. Er is geen sprake van vooringenomen handelen. Er is ook geen reden om de hardheidsregeling toe te passen of een tegemoetkoming op grond van de opzet-/grove schuld regeling toe te kennen. Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt.
Bestreden besluit
5. Dienst Toeslagen stelt zich op het standpunt dat er in het toeslagjaar 2019 geen sprake was van vooringenomenheid, omdat niet aannemelijk is geworden dat er bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen van Dienst Toeslagen. Tevens is geen sprake van hardheid van het stelsel of een kwalificatie opzet of grove schuld.
De neerwaartse correcties waren naar aanleiding van de melding die Dienst Toeslagen op 24 april 2019 van DUO had ontvangen. Uit deze melding bleek dat de dochter van eiseres was begonnen aan het basisonderwijs. Aan eiseres is in de brief van 27 april 2019 uitgelegd dat er enkel recht op kinderopvangtoeslag voor buitenschoolse opvang bestaat en dat het recht op dagopvang vervalt. Hierna heeft eiseres de stopzetting op 2 mei 2019 digitaal doorgegeven. Op 12 augustus 2019 is opnieuw kinderopvangtoeslag aangevraagd, met ingangsdatum 2 mei 2019. Daarna is definitief beschikt op de aanvraag voor buitenschoolse opvang. Voor het toeslagjaar 2019 heeft eiseres overeenkomstig de ingediende aanvragen kinderopvangtoeslag ontvangen. Het definitief vastgestelde bedrag is gebaseerd op de aanvragen en op de werkelijke afgenomen kinderopvang.
Beroepsgronden
6. Eiseres stelt dat Dienst Toeslagen ten onrechte niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd. Zij wijst erop dat de melding van DUO, de brief van Dienst Toeslagen van 27 april 2019 en haar reactie op de aanvullende beschouwing van 31 december 2024 niet in het dossier zitten. Niet het bezwaardossier maar het ouderdossier had overgelegd moeten worden.
Eiseres benadrukt dat haar dochtertje op het moment van stopzetting van de kinderopvangtoeslag 4 jaar oud was. In overleg met hulpverleners was besloten dat zij nog een jaar langer naar de dagopvang zou gaan om zich verder te ontwikkelen. Daarna zou zij naar het basisonderwijs kunnen doorstromen. Haar dochtertje volgde op de locatie van de basisschool uitsluitend revalidatietherapie. Omdat het dochtertje van eiseres geen basisonderwijs volgde, bestond volgens haar recht op kinderopvangtoeslag voor dagopvang. Eiseres heeft weliswaar zelf een stopmelding gedaan maar zij heeft zich daartoe gedwongen gevoeld op basis van het contact met Dienst Toeslagen.
De kinderopvangtoeslag werd beëindigd vanwege informatie die door DUO zou zijn doorgegeven. Bij de ouder is geen navraag gedaan en de ouder heeft zelf nog contact gezocht met Dienst Toeslagen. Er is sprake van vooringenomen handelen van Dienst Toeslagen. Eiseres wijst op het Handboek Integrale Beoordeling van de Afdeling Vaktechniek, zoals dit luidde ten tijde van het primaire besluit. In het Handboek stond volgens eiseres toen vermeld dat als Dienst Toeslagen de kinderopvangtoeslag stop had gezet naar aanleiding van een melding van DUO zonder uitvraag te doen bij de ouder, dit als vooringenomen werd aangemerkt. Het beleid is tijdens de bezwaarfase ten nadele van eiseres veranderd en dit nieuwe beleid wordt nu tegengeworpen. Dit is in strijd met de rechtszekerheid.
Het feit dat de ouder niet in de gelegenheid is gesteld om aan te tonen dat geen sprake was van het volgen van basisonderwijs betreft volgens het Handboek Integrale Beoordeling vooringenomen handelen dan wel kan gekwalificeerd worden als hardheid. Uit de gang van zaken in 2019 blijkt genoegzaam van vooringenomenheid, dan wel van hardheid, dan wel van een situatie die valt onder de hardheidsclausule.
Eiseres heeft verzocht om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn.
Overwegingen van de rechtbank
Volledigheid dossier
7. Volgens eiseres heeft Dienst Toeslagen niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.
7.1.
De rechtbank overweegt onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 2 juli 2025 [1] het volgende.
Dienst Toeslagen hanteert verschillende termen voor de soorten dossiers die worden gebruikt. Onder het persoonlijk dossier wordt begrepen: alle gegevens van een ouder die de Belastingdienst en Dienst Toeslagen in hun systemen hebben over een ouder. Het gaat bij het persoonlijk dossier daarmee niet alleen om documenten over kinderopvangtoeslag, maar ook over andere toeslagen, zoals huur- en zorgtoeslag, en documenten over inkomstenbelasting. Verder gebruikt Dienst Toeslagen ook de term ‘ouderdossier’, waaronder wordt begrepen alle documenten over kinderopvangtoeslag, die zijn gebruikt in de integrale beoordeling. Tot slot gebruikt Dienst Toeslagen de term ‘bezwaardossier’, dat op dezelfde wijze is samengesteld als het ‘ouderdossier’, maar beperkt is tot de jaren waarover een geschil bestaat.
De Afdeling heeft in voormelde uitspraak geoordeeld dat er geen wettelijke grondslag is op basis waarvan aan een gedupeerde ouder op verzoek het persoonlijk dossier of ouderdossier wordt verstrekt. Uit artikel 8:42 van Pro de Awb volgt dat Dienst Toeslagen verplicht is om de op de zaak betrekking hebbende stukken over te leggen. Het gaat dan om stukken die aan de bestreden besluitvorming ten grondslag liggen. De onderhavige procedure van eiseres heeft betrekking op regelingen die zijn opgenomen in de Wht. Dienst Toeslagen is daarom gehouden om de stukken die van belang zijn voor de beoordeling van dit geschil aan de bestuursrechter over te leggen. Voor het overleggen van het persoonlijk dossier vormt artikel 8:42 van Pro de Awb geen wettelijke grondslag. Met het bezwaardossier kan de rechtbank de juistheid van het (niet) toepassen van de compensatieregeling en tegemoetkomingsregeling controleren.
7.2.
In het geval van eiseres heeft Dienst Toeslagen bij brief van 9 november 2025 de gedingstukken, waaronder het bezwaardossier, verstrekt. Op 11 januari 2026 heeft Dienst Toeslagen nog een aanvullend stuk, te weten de reactie van eiseres op de aanvullende beschouwing, ingediend. Eiseres merkt terecht op dat de brief van Dienst Toeslagen van 27 april 2019 niet bij de stukken zit. Uit de overige stukken die de rechtbank van Dienst Toeslagen heeft ontvangen, is echter wel voldoende kenbaar gemaakt wat de inhoud van deze brief is geweest.
Ten aanzien van de melding van DUO heeft Dienst Toeslagen toegelicht dat alleen een digitale melding is ontvangen. Verdere stukken hiervan zijn niet aanwezig.
De gemachtigde van Dienst Toeslagen heeft ter zitting toegelicht dat Dienst Toeslagen het recht op compensatie betreffende het jaar 2019 volledig heeft kunnen beoordelen aan de hand van het bezwaardossier en dat het verstrekken van een ouderdossier daaraan niets toevoegt. De rechtbank heeft geen aanleiding te oordelen dat dit anders zou zijn.
Vooringenomen handelen
8. Om in aanmerking te kunnen komen voor compensatie op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wht moet voor 23 oktober 2019 sprake zijn geweest van institutionele vooringenomenheid van Dienst Toeslagen bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag.
8.1.
Dienst Toeslagen heeft op 24 april 2019 van DUO de geautomatiseerde melding ontvangen dat het dochtertje van eiseres onderwijs volgde. Hierop heeft Dienst Toeslagen eiseres op 27 april 2019 een brief gestuurd en aangegeven dat de kinderopvangtoeslag die eiseres voor de dagopvang ontving zou worden stopgezet.
8.2.
Eiseres heeft gesteld dat met de brief van 27 april 2019 al sprake is van vooringenomen handelen, gelet op het bepaalde in het Handboek Integrale Beoordeling (versie 2.0) van de Afdeling Vaktechniek van Dienst Toeslagen van 10 maart 2023. [2] Op grond van paragraaf 3.1.4. van dit Handboek is sprake van een vooringenomen handeling wanneer Dienst Toeslagen de kinderopvangtoeslag stopzet naar aanleiding van een melding van DUO dat het kind naar de basisschool gaat, zonder uitvraag te doen bij de ouder. Nu Dienst Toeslagen heeft nagelaten uitvraag te doen bij eiseres voordat de kinderopvangtoeslag werd stopgezet, heeft Dienst Toeslagen volgens eiseres vooringenomen gehandeld.
8.3.
Dienst Toeslagen heeft terecht gewezen op het feit dat deze bepaling eerst op 10 maart 2023 in het Handboek Integrale Beoordeling (versie 2.0) is opgenomen. [3] In het ten tijde van het nemen van het primaire besluit van 16 december 2022 geldende Handboek Integrale Beoordeling stond niet vermeld dat in dit specifieke geval sprake zou zijn van vooringenomen handelen. Dat is ook het geval ten tijde van het nemen van het bestreden besluit. Op 10 december 2024 is het Handboek Integrale Beoordeling namelijk gewijzigd. [4] Paragraaf 3.1.4. van versie 3.10 van het Handboek vermeldt dat als Dienst Toeslagen een melding krijgt vanuit DUO dat het kind naar de basisschool gaat en de dagopvangkosten worden verwijderd (stopzetting vanaf het moment dat het kind naar school gaat) er geen sprake is van een vooringenomen handeling. Het bestreden besluit is genomen na de datum van deze wijziging.
Eiseres kan niet gevolgd worden in haar standpunt dat Dienst Toeslagen in strijd met de rechtszekerheid heeft gehandeld. In zowel het primaire besluit als het bestreden besluit heeft Dienst Toeslagen de op dat moment geldende versie van het Handboek Integrale Beoordeling gehanteerd. Dat in de bezwaarfase enige tijd een andersluidende versie van het Handboek Integrale Beoordeling gold, doet daaraan niet af.
8.4.
Naar het oordeel van de rechtbank is voornoemd ten tijde van de besluitvorming geldende beleid redelijk te achten. Dienst Toeslagen heeft dan ook in beginsel op basis van de geautomatiseerde informatie van DUO dat het dochtertje van eiseres onderwijs volgt, de kinderopvangtoeslag voor dagopvang stop mogen zetten en eiseres terecht gewezen op de mogelijkheid om kinderopvangtoeslag voor Bso aan te vragen. Naar het oordeel van de rechtbank is met het versturen van de brief van 27 april 2019 als zodanig geen sprake van vooringenomen handelen, maar van uitvoering van de wettelijke regels.
Dit neemt echter niet weg dat er sprake kan zijn van zodanige feiten en omstandigheden dat toch gesproken kan worden van vooringenomenheid. Volgens eiseres is hiervan sprake omdat zij vervolgens niet in de gelegenheid is gesteld om aan te tonen dat geen sprake was van het volgen van basisonderwijs. Eiseres heeft op zitting gesteld dat haar dochtertje vanaf 21 maart 2019 twee dagen naar de peuterspeelzaal ging en daarnaast op een revalidatiebasisschool fysiotherapie en ergotherapie kreeg.
8.5.
In de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 2.1 van de Wht [5] is een niet-limitatieve opsomming van kenmerken genoemd die tot het oordeel kunnen leiden dat sprake is van institutionele vooringenomenheid. Een van die kenmerken is het niet nader opvragen van informatie bij belanghebbenden bij een gebleken tekortkoming in de overgelegde bewijsstukken.
8.6.
Na ontvangst van de brief van 27 april 2019 heeft eiseres op 2 mei 2019 telefonisch contact gehad met Dienst Toeslagen. Uit de telefoonnotitie blijkt dat eiseres heeft aangegeven dat haar dochter af en toe naar een ‘revalidatiebasisschool’ gaat voor therapie. Dienst Toeslagen heeft uit dit telefoongesprek de conclusie getrokken dat de dochter van eiseres naar een basisschool ging. Dit stemde overeen met de informatie die Dienst Toeslagen van DUO had ontvangen. Eiseres stelt dat zij mogelijk niet goed heeft geduid wat zij bedoelde en wat de concrete situatie was. De medewerker van Dienst Toeslagen heeft volgens haar te snel geconcludeerd dat de informatie klopte. Er is volgens haar niet goed doorgevraagd door Dienst Toeslagen.
8.7.
De rechtbank acht het niet onbegrijpelijk dat Dienst Toeslagen uit het telefoongesprek heeft geconcludeerd dat het dochtertje van eiseres naar een basisschool ging. Deze informatie kwam overeen met de ontvangen informatie van DUO dat zij was ingeschreven op een basisschool. Eiseres is tijdens het telefoongesprek in de gelegenheid geweest om hierover nadere vragen te stellen of meer informatie te geven of aan te bieden. Concrete aanknopingspunten dat Dienst Toeslagen vooringenomen heeft gehandeld op basis van de tijdens het telefoongesprek verkregen informatie ziet de rechtbank niet. Van een tekortkoming in informatie waarop Dienst Toeslagen had moeten handelen, is niet gebleken. Uitgaande van de door eiseres in het telefoongesprek geschetste situatie (dagopvang en therapie op een revalidatiebasisschool) heeft Dienst Toeslagen namelijk geantwoord dat in dat geval geen recht meer bestaat op kinderopvangtoeslag voor dagopvang.
Of dit antwoord correct was, is onduidelijk. Indien de situatie was zoals door eiseres geschetst (stukken ter onderbouwing daarvan ontbreken) is nog niet gegeven dat eiseres dan nog altijd recht op kinderopvangtoeslag voor dagopvang kon behouden. Die vraag had in een bezwaarprocedure tegen de stopzetting kunnen worden beantwoord. De herstel-regelingen zijn niet bedoeld om fouten die in het verleden bij de besluitvorming over het recht op kinderopvangtoeslag mogelijk zijn gemaakt te herstellen. De vraag of de kinderopvangtoeslag van eiseres over 2019 juist is vastgesteld ligt hier niet voor. Het gaat om de vraag of Dienst Toeslagen over het jaar 2019 jegens eiseres vooringenomen heeft gehandeld. [6]
8.8.
Op grond van het voorgaande heeft Dienst Toeslagen eiseres op goede gronden geen compensatie verleend op grond van gestelde institutionele vooringenomenheid.
Hardheidsregeling
9. Om in aanmerking te kunnen komen voor compensatie op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wht moet sprake zijn van een situatie waarbij de toepassing van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, de Wet kinderopvang of de op die wetten berustende bepalingen bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard die voortkomen uit de hardheid van de toepassing die voor 23 oktober 2019 werd gegeven aan het wettelijke systeem.
Uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 2.1 van de Wht [7] volgt dat van hardheid van het stelsel als bedoeld in onderdeel b sprake is als de kinderopvangtoeslag op nihil is vastgesteld in plaats van naar rato van het bedrag van de kosten waarvan de aanvrager van een kinderopvangtoeslag heeft aangetoond dat deze tijdig zijn betaald aan de kinderopvangorganisatie. Ook is er sprake van hardheid van het stelsel bij de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden waarbij de kinderopvangtoeslag in zijn geheel is teruggevorderd en deze terugvordering onevenredig was in verhouding tot de met die terugvordering te dienen doelen.
9.1.
Dienst Toeslagen heeft in het bestreden besluit aangegeven dat sprake is geweest van een terugvordering/verlaging van meer dan € 1.500,-. De reden hiervoor had echter niet te maken met het niet betalen van een deel van de kosten voor de opvang, kleine formele tekortkomingen dan wel fraude door derden of andere bijzondere omstandigheden. Er was geen sprake van een situatie waarop de hardheidsregeling ziet. Eiseres heeft dit ook niet weersproken. Dit betekent dat zij geen recht heeft op compensatie op basis van de hardheidsregeling.
Hardheidsclausule
10. Eiseres stelt dat met toepassing van de hardheidsclausule moet worden afgeweken van het strikt gehanteerde begrip ‘vooringenomenheid’ in artikel 2.1 van de Wht.
10.1.
In de Wht is in artikel 9.1, eerste lid een hardheidsclausule opgenomen, op grond waarvan de Dienst Toeslagen, voor zover in deze zaak van belang, bij een besluit over toekenning van compensatie of tegemoetkoming kan afwijken van artikel 2.1 van de Wht, voor zover de toepassing daarvan gelet op doel of strekking ervan zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard voor degene die aanspraak wil maken op de toekenning.
Naar vaste rechtspraak van de Afdeling kan de hardheidsclausule worden toegepast in bijzondere situaties waarbij toepassing van de bepaling zelf gelet op de ratio ervan onbillijk uitpakt of wanneer sprake is van schrijnende omstandigheden waardoor toepassing van de wettelijke bepaling achterwege moet blijven. Bij schrijnende omstandigheden kan bijvoorbeeld worden gedacht aan serieuze en structurele financiële nood, aan ernstige medische omstandigheden of aan andere ontwrichtende persoonlijke omstandigheden. Daarbij gaat het niet zozeer om omstandigheden die zich hebben voorgedaan in de periode waarin de toeslagenaffaire zich voltrok en die vanzelfsprekend in veel gevallen schrijnend zijn geweest en tot schade (kunnen) hebben geleid. Voor deze situatie beogen de herstelmaatregelen uit de Wht immers een oplossing te bieden. Het moet volgens de Afdeling gaan om actuele omstandigheden die samenhangen met (de gevolgen van) een weigering om een compensatie of tegemoetkoming te verlenen. Met het toepassen van de hardheidsclausule wordt een uitzondering gemaakt op de gebruikelijke toepassing van de regel. Dat betekent dat degene die er een beroep op doet, in ieder geval inzichtelijk moet maken waar de bijzondere of schrijdende situatie in zijn of haar geval uit bestaat, en dit zo concreet mogelijk moet onderbouwen. [8]
10.2.
Eiseres heeft ter zitting betoogd dat de onbillijkheid van overwegende aard volgens de rechtspraak van de Afdeling, anders dan de schrijnendheid van de situatie, niet actueel hoeft te zijn.
Uit de stukken is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken van een onbillijke situatie in 2019, noch in de periode daarna. Hoewel eiseres door de stopzetting van de kinderopvangtoeslag voor dagopvang de keuze heeft moeten maken om in de periode van 2 mei 2019 tot 5 juli 2019 meer opvang bij haar moeder te regelen, de opvang bij de peuterspeelzaal stop te zetten en zij dit niet wenselijk achtte voor de ontwikkeling van haar dochter, betekent dit nog niet dat de hardheidsclausule moet worden toegepast.
Zonder af te willen doen aan de gevolgen voor eiseres, kan naar het oordeel van de rechtbank op basis van de overgelegde stukken niet worden aangenomen dat sprake is van een actuele, serieuze en structurele financiële nood, die maakt dat haar situatie zodanig schrijnend is dat het maken van een nieuwe start wordt belemmerd. Daartoe overweegt de rechtbank dat niet is gesteld of gebleken dat sprake is (geweest) van schrijnende omstandigheden op grond waarvan toepassing van wettelijke bepalingen achterwege zou moeten worden gelaten. Uit hetgeen ter zitting is gezegd kan dat evenmin worden opgemaakt.
De rechtbank is van oordeel dat Dienst Toeslagen op goede gronden geen aanleiding heeft gezien om de hardheidsclausule toe te passen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Overschrijding redelijke termijn
11. Eiseres heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Dit verzoek wordt toegewezen.
De redelijke termijn is voor een procedure in twee instanties in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan twee jaar heeft geduurd. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Van dergelijke omstandigheden is in dit geval niet gebleken.
Het bezwaarschrift van eiseres is door Dienst Toeslagen ontvangen op 5 april 2023. Vanaf de datum van de ontvangst van het bezwaarschrift door Dienst Toeslagen tot de datum van deze uitspraak is afgerond 3 jaar en 4 maanden verstreken. De redelijke termijn is dus afgerond met 1 jaar en 4 maanden overschreden.
In beginsel is een vergoeding van immateriële schade gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn is overschreden. Dit leidt in dit geval tot een schadevergoeding van € 1.500,- Omdat de gehele overschrijding binnen de bezwaarfase is gelegen, komt deze schadevergoeding voor rekening van Dienst Toeslagen.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Dienst Toeslagen zal worden veroordeeld tot het betalen van immateriële schadevergoeding voor een bedrag van €1.500,- vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
Dienst Toeslagen zal worden veroordeeld in de proceskosten van eiseres voor verleende rechtsbijstand in verband met het verzoek om schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn. Die kosten worden begroot op een bedrag van € 467,- (1 punt voor het indienen van het schadeverzoek, met een waarde van € 934,- per punt en een wegingsfactor van 0,5 [9] ).

Beslissing

De rechtbank:
-verklaart het beroep ongegrond;
-veroordeelt Dienst Toeslagen tot het betalen aan eiseres van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn tot een bedrag van € 1.500,-;
-veroordeelt Dienst Toeslagen tot het betalen aan eiseres van een bedrag van € 467,- aan proceskosten.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van mr. E.A. Vermunt, griffier, op 17 juli 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl
De griffier is verhinderd om de uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Voetnoten

2.Te raadplegen via https://open.overheid.nl
3.Te raadplegen via https://open.overheid.nl/documenten.
4.Te raadplegen via https://herstel.toeslagen.nl
5.Kamerstukken II, 2021-2022, 36 151, nr. 3, blz. 70-71.
7.Kamerstukken II, 2021-2022, 36 151, nr. 3 blz. 71.