ECLI:NL:RBZWB:2026:6785

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
23 juli 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
02-175123-26
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 EVRMArt. 80 WvSvArt. 68 WvSvArt. 1:4 Regeling tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingenArt. 4 Penitentiaire Beginselenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schorsing voorlopige hechtenis om onherroepelijke gevangenisstraf uit te zitten

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 23 juli 2026 het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte behandeld. De verdachte is gedetineerd en heeft een onherroepelijke gevangenisstraf van 4 maanden opgelegd gekregen. De verdediging verzocht om schorsing van de voorlopige hechtenis om deze straf uit te kunnen zitten, met een beroep op het subsidiariteitsbeginsel zoals neergelegd in artikel 5 EVRM Pro.

De rechtbank bevestigt de lijn 'schorsen, tenzij' en wijst het verzet van het Openbaar Ministerie af. De rechtbank oordeelt dat de vrijheidsrechten van een persoon niet afhankelijk zijn van de interne organisatie van de Staat en dat de executievolgorde van artikel 1:4 van Pro de Regeling tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen niet dwingend is in de zin dat schorsing van voorlopige hechtenis wordt uitgesloten.

De rechtbank gaat in op de argumenten van het Openbaar Ministerie over risico's bij schorsing, maar constateert dat deze abstract blijven en niet concreet worden onderbouwd. Ook wijst zij erop dat het OM zich niet kan beroepen op risico's die door de Staat zelf zijn gecreëerd bij de overheveling van executiebevoegdheid. De voorlopige hechtenis wordt geschorst met ingang van 23 juli 2026 voor de duur van de gevangenisstraf, met de bepaling dat de voorlopige hechtenis herleeft indien verdachte tijdelijk in vrijheid wordt gesteld.

Uitkomst: De voorlopige hechtenis van verdachte wordt geschorst om zijn onherroepelijke gevangenisstraf van 4 maanden uit te zitten, met herleving van de voorlopige hechtenis bij tijdelijke vrijlating.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats Breda
parketnummer : 02-175123-26

bevel schorsing voorlopige hechtenis van de raadkamer d.d. 22 juli 2026

(artikel 80 Wetboek Pro van Strafvordering)

in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 2006 te [geboorteplaats] (Afghanistan),
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[inschrijfadres] ,
nu gedetineerd in P.I. [plaats] .
Raadsman mr. M. Broere.

Procedure

Op 08 juli 2026 heeft de rechtbank de gevangenhouding bevolen. Op 20 juli 2026 is op griffie van de rechtbank een verzoekschrift ingekomen dat strekt tot schorsing van de voorlopige hechtenis.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafdossier en heeft de officier van justitie, de verdachte en de raadsman gehoord.

Beoordeling

De verdediging heeft verzocht de voorlopige hechtenis te schorsen met als doel dat verdachte zijn onherroepelijke gevangenisstraf van 4 maanden (parketnummer 02/098998) kan uitzitten. Zij beroept zich daarbij op de rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) met betrekking tot artikel 5 van Pro het Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en de invulling die de rechtbank daaraan heeft gegeven in drie recente uitspraken van 24 juni 2026 (ECLI:NL:RBZWB:2026:5594) en 15 juli 2026 (ECLI:NL:RBZWB:2026:6488 en ECLI:NL:RBZWB:2026:6491).
De officier van justitie heeft zich daartegen verzet met diverse argumenten die de rechtbank hieronder zal bespreken.
De rechtbank oordeelt als volgt.
De rechtbank handhaaft de lijn ‘schorsen, tenzij’ bij verzoeken tot het schorsen van de voorlopige hechtenis om onherroepelijke gevangenisstraf uit te zitten, en verwijst kortheidshalve naar de argumenten die zij daarvoor gegeven heeft in de hierboven genoemde drie uitspraken. Zij herhaalt deze argumenten in deze uitspraak en last deze hier in.
In aanvulling op deze argumenten en in reactie op het betoog van de officier van justitie in deze zaak overweegt de rechtbank het volgende.
Inleiding
De discussie in zaken als de onderhavige concentreert zich in hoofdzaak op een drietal thema’s: ten eerste het subsidiariteitsbeginsel, inhoudende dat een vrijheidsbeneming op de minst belastende wijze ten uitvoer moet worden gelegd, ten tweede de executievolgorde op grond van artikel 1:4 Regeling Pro tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (hierna: de regeling), en ten slotte, de risico’s waarvan het Openbaar Ministerie stelt dat zij een rechtvaardiging vormen om niet te schorsen. De rechtbank zal hieronder kort ingaan op de drie thema’s, in aanvulling op de eerdere uitspraken.
Het subsidiariteitsbeginsel
Volgens vaste, reeds jaren bestendige rechtspraak van het EHRM houdt artikel 5 EVRM Pro (recht op vrijheid van een persoon) in dat de voorlopige hechtenis moet worden geschorst indien de doelen daarvan op minder ingrijpende wijze voor personen kunnen worden bereikt (het subsidiariteitsbeginsel). De nationale wetgeving moet uitgelegd worden in het licht van dit beginsel, omdat het EVRM, krachtens de Nederlandse Grondwet boven die nationale wetgeving gaat. Dat betekent ook dat een louter nationale uitleg van de regeling door de wetgever of door de uitvoerende macht niet doorslaggevend is. Zie Rechtbank ZWB 15 juli 2026 (ECLI:NL:RBZWB:2026:6488). Overeenkomstig deze regels heeft de rechtspraak vele jaren lang geoordeeld dat uit het subsidiariteitsbeginsel volgt dat de voorlopige hechtenis geschorst moet worden voor het uitzitten van een onherroepelijke gevangenisstraf, omdat dat de minst belastende vrijheidsbeneming is voor een persoon.
De officier van justitie betoogt dat de wetgever de executie van gevangenisstraffen heeft overgeheveld van het Openbaar Ministerie naar de Minister van Justitie, en dat daarom – zo begrijpt de rechtbank - de reikwijdte van het subsidiariteitsbeginsel is gewijzigd. De rechtbank verwerpt dit betoog, omdat de vrijheidsrechten van een persoon niet afhangen van hoe de Staat haar organisatie intern regelt. Zie Rechtbank ZWB 15 juli 2026 (ECLI:NL:RBZWB:2026:6488). In dit oordeel ligt ook de verwerping besloten van de stelling van de officier van justitie dat de rechtbank ‘op de stoel van de wetgever gaat zitten’ en ten onrechte ‘invloed ( uitoefent) op het plaatsingsbeleid van de Minister’. Daarbij merkt de rechtbank op dat voor 1 januari 2020 het Openbaar Ministerie nooit heeft aangegeven dat schorsen van de voorlopige hechtenis om een gevangenisstraf uit te zitten het plaatsingsbeleid van het Openbaar Ministerie doorkruist.
De nationale regelgeving biedt ook steun voor deze uitleg. Zonder de pretentie te hebben volledig te zijn wijst de rechtbank erop dat artikel 80 Wetboek Pro van Strafvordering (hierna: WvSv) (mogelijkheid tot schorsen) een uitdrukking is van het subsidiariteitsbeginsel. Zie nr. 4.4 van de conclusie van de PG HR van 11 maart 2025 (ECLI:NL:PHR:2025:267).
Voorts wijst de rechtbank op artikel 68, eerste lid, WvSv. Dat artikel luidt:
‘De termijn gedurende welke een bevel tot voorlopige hechtenis van kracht is, loopt niet gedurende de tijd dat de verdachte zich aan de verdere tenuitvoerlegging van het bevel heeft onttrokken
of uit anderen hoofde rechtens van zijn vrijheid is beroofd(vetgedrukt door de rechtbank).’
Het gaat de rechtbank om de vetgedrukte tekst. Deze is later toegevoegd. In de Memorie van Toelichting staat het volgende:
‘Het komt regelmatig voor, dat na het verlenen van een bevel tot bewaring of gevangenhouding blijkt, dat de verdachte nog een eerder opgelegde straf moet ondergaan. Het ontmoet dan veelal op zich zelf geen bezwaar, dat met de tenuitvoerlegging daarvan wordt begonnen tijdens het onderzoek van de nieuwe strafzaak, maar de huidige wettelijke regeling kan in dit opzicht tot moeilijkheden leiden. […] Dit bezwaar kan worden ondervangen door de termijn, waarvoor het bevel tot bewaring (inmiddels: bevel tot voorlopige hechtenis – toevoeging rechtbank) geldt, niet te laten doorlopen gedurende de tenuitvoerlegging van de straf.’ (Kamerstukken II 1962-1963, 7101, nr. 3, p. 5)
In deze toelichting leest de rechtbank dat de wetgever in de nationale wet uitgaat van het uitgangspunt ‘schorsen, tenzij’ om een gevangenisstraf uit te zitten, en dat hij artikel 68, eerste lid, WvSv heeft aangepast om dat probleemloos mogelijk te maken. Genoemd artikel geldt thans nog steeds en is niet aangepast bij de overgang van de executiebevoegdheid van gevangenisstraffen van het Openbaar Ministerie naar de Minister van Justitie op 1 januari 2020. Sterker nog: in de inmiddels vastgestelde tekst van het nieuwe Wetboek van Strafvordering is expliciet neergelegd dat het subsidiariteitsbeginsel ‘eist’ dat overeenkomstig dat beginsel wordt gehandeld. Dit betreft een codificatie van bestaand recht. Zie PG HR in zijn conclusie van 11 maart 2025 (ECLI:NL:PHR:2025:267), nrs 4.2 t/m 4.6.
De executievolgorde van artikel 1:4 regeling Pro
De officier van justitie betoogt dat artikel 1:4 regeling Pro ‘lijkt te impliceren dat de wetgever de voorlopige hechtenis kennelijk prioriteert boven andere titels’. De rechtbank begrijpt dit betoog aldus dat de officier van justitie aanvoert dat de executievolgorde in dat artikel dwingend is, in die zin dat zij aan een schorsing van de voorlopige hechtenis in de weg staat om een gevangenisstraf uit te zitten.
In zijn uitspraak van 5 juni 2025 (ECLI:NL:GHSHE:2025:1865) lijkt het Hof ’s-Hertogenbosch deze uitleg te volgen. Naar het oordeel van de rechtbank stelt het daarmee die uitleg boven het EVRM. De rechtbank volgt deze uitspraak van het Hof daarom niet, omdat de regeling uitgelegd moet worden op een wijze die niet strijdt met het EVRM. Zie verder de uitspraak van de rechtbank van 24 juni 2026 (ECLI:NL:RBZWB:2026:5594).
Voorts wijst de rechtbank op de tekst en toelichting op de regeling waarin niet gesproken wordt over een dwingende executievolgorde. In tegendeel, de toelichting geeft juist aan dat de regeling niet beoogt een wijziging te brengen in de executievolgorde van voor de inwerkingtreding van de regeling op 1 januari 2020, en dus ook niet in de mogelijkheid de voorlopige hechtenis te schorsen om een gevangenisstraf uit te zitten. In de uitspraak van 24 juni 2026 (ECLI:NL:RBZWB:2026:5594) citeert de rechtbank de relevante passages uit de toelichting. Kortheidshalve verwijst zij daarna. De executievolgorde is met andere woorden niet dwingend in bovengenoemde zin.
De rechtbank wijst ook nog op het Praktijkboek voorlopige hechtenis van [persoon] (pagina 197 e.v.):
‘Tegen de mogelijkheid de voorlopige hechtenis te schorsen ter fine van de tenuitvoerlegging van een straf wordt nog weleens ingebracht dat de Regeling tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen zich hiertegen verzet omdat in die regeling een volgorde voor de executie wordt gegeven. Zo bepaalt artikel 1:4 van Pro die regeling dat vrijheidsbenemende sancties zo veel als mogelijk aaneensluitend worden tenuitvoergelegd in de volgorde zoals daar beschreven. En die volgorde is, voor zover hier van belang, inverzekeringstelling, voorlopige hechtenis, buitenlandse veroordeling, herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling, gevangenisstraf. Nog daargelaten het ongelukkig taalgebruik, nu voorlopige hechtenis geen strafrechtelijke sanctie is, ziet artikel 1:4 van Pro de regeling niet op de situatie waarin de voorlopige hechtenis wordt geschorst en dus niet ten uitvoer wordt gelegd, in verband met de executie van een straf. In dat geval is er dus geen sprake van een aaneengesloten tenuitvoerlegging en dus ook niet van een volgorde, zo deze al dwingend zou zijn. Kortom, met de invoering van de Wet USB en de daaraan gekoppelde Regeling tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen is er geen wijziging gekomen in de bevoegdheid en wat mij betreft verplichting voor de rechter om de voorlopige hechtenis te schorsen ter fine van de tenuitvoerlegging van een onherroepelijke gevangenisstraf.’
De rechtbank neemt het argument uit dit Praktijkboek over, namelijk dat de volgorde van artikel 1:4 regeling Pro niet wordt doorbroken in het geval er sprake is van een schorsing van de voorlopige hechtenis om een onherroepelijke gevangenisstraf uit te zitten: de voorlopige hechtenis is immers geschorst.
De risico’s bij schorsen van de voorlopige hechtenis
De officier van justitie voert in essentie aan dat door de overgang van de executiebevoegdheid van Openbaar Ministerie naar de Minister van Justitie het Openbaar Ministerie geen regie meer heeft over de tenuitvoerleggingsfase, met als gevolg dat het Openbaar Ministerie geen ‘zicht meer heeft op de voorlopige hechtenis’, en dat de switch in titels risico’s met zich brengt vanwege veel schakels in de executieketen en handmatige termijnbewaking.
De rechtbank merkt allereerst wederom op dat het Openbaar Ministerie nog steeds slechts op abstracte wijze argumenteert over de problemen met de ‘switch van titels’, en geen concrete, verifieerbare voorbeelden geeft van dat het misgegaan is in de afgelopen jaren toen Hof en rechtbank schorsingen jarenlang toestonden. Ook geeft het niet aan waarom het dan misgegaan is (als dat zo is). Voor de redenen waarom de rechtbank dit belangrijk vindt verwijst het naar haar uitspraak van 15 juli 2026 (ECLI:NL:RBZWB:2026:6488).
Voorts geeft de officier geen uitleg waarom het Openbaar Ministerie de gestelde risico’s bij schorsing van de voorlopige hechtenis om een gevangenisstraf uit te zitten aanvaardbaar vindt bij zwaarwegende persoonlijke belangen, en niet aanvaardbaar in het geval die zwaarwegende belangen ontbreken. De gestelde risico’s blijven immers hetzelfde. Zie Rechtbank 15 juli 2026 (ECLI:NL:RBZWB:2026:6491). De officier van justitie heeft ter zitting niet betwist dat de risico’s hetzelfde blijven, maar aangegeven dat ‘de strafvorderlijke belangen en bezwaren het afleggen tegen de persoonlijke belangen’ bij een schorsing om een gevangenisstraf uit te zitten op grond van zwaarwegende persoonlijke omstandigheden. Naar het oordeel van de rechtbank bevestigt dit betoog juist dat de gestelde risico’s hanteerbaar zijn voor het Openbaar Ministerie.
De rechtbank merkt in dit verband nogmaals op dat zij – desgevraagd – de voorlopige hechtenis steeds laat herleven indien verdachte om wat voor reden vrijgelaten wordt in de detentiefase. Zie de uitspraak van 24 juni 2026 (ECLI:NL:RBZWB:2026:5594). In deze zaak is detentiefasering en/of een voorlopige invrijheidsstelling echter niet aan de orde, gelet op de uit te zitten gevangenis straf van 4 maanden. Detentiefasering kan in deze zaak derhalve ook niet in strijd komen met onderzoeksbelangen. Ook zijn in deze zaak geen slachtofferbelangen aan de orde, omdat verdachte niet vrijkomt.
In aanvulling hierop oordeelt de rechtbank dat het Openbaar Ministerie, als onderdeel van de Staat, door de rechtbank niet in het gelijk wordt gesteld indien het zich beroept op risico’s die de Staat (wetgever) zelf in het leven heeft geroepen door de executie van gevangenisstraffen over te hevelen van het Openbaar Ministerie naar de Minister van Justitie, zonder daarbij werkprocessen in het leven te roepen die de schorsing van de voorlopige hechtenis op grond van artikel 5 EVRM Pro (en nationaal recht) risicoloos mogelijk blijven maken voor het uitzitten van gevangenisstraffen.
De officier van justitie heeft subsidiair aangegeven dat ‘het de voorkeur verdient dat (schorsen, rechtbank) te doen voor de duur dat verdachte in de zaak met parketnummer 02-098998-25 opgelegde gevangenisstraf ten uitvoer zal worden gelegd dan wel tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor een penitentiair programma als bedoeld in art. 4 van Pro de Penitentiaire Beginselenwet dan wel de regeling van de voorwaardelijke invrijheidsstelling als bedoeld in art. 6:2:1 Sv Pro’. Hoewel de rechtbank reeds aangegeven heeft dat deze omstandigheden zich niet voordoen bij het uitzitten van een gevangenisstraf van 4 maanden, zal de rechtbank dit subsidiair verzoek honoreren, in die zin dat het zal bepalen dat de voorlopige hechtenis zal herleven indien verdachte om wat voor reden dan ook (tijdelijk) in vrijheid wordt gesteld.
Tot slot
De officier van justitie verwijst – desgevraagd - naar een afspraak tussen de gerechtshoven ter bevordering van de rechtseenheid op het punt van schorsen van de voorlopige hechtenis om een gevangenisstraf uit te zitten. Inhoud van die afspraak zou volgens de officier van justitie zijn dat de gerechtshoven de lijn ‘niet-schorsen, tenzij’ hanteren, en niet de lijn ‘schorsen-tenzij’.
De rechtbank leest in de genoemde uitspraak van het Hof ’s-Hertogenbosch niet dat er sprake is van een dergelijke afspraak.
Los daarvan merkt de rechtbank op dat een dergelijke afspraak geen rechtsbron is waaraan valide juridische argumenten ontleend kunnen worden ter beoordeling van een verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis om een gevangenisstraf uit te zitten. Ook in het geval een dergelijke afspraak zou bestaan, ontslaat dat de gerechtshoven niet van het motiveren van hun oordelen met argumenten die gestoeld zijn op rechtsbronnen.

Beslissing

De rechtbank:
schorst de voorlopige hechtenis met ingang van 23 juli 2026 ten behoeve van en voor de duur van de gevangenisstraf, welke is opgelegd in de strafzaak met parketnummer 02-098998-25, en bepaalt dat de schorsing van de voorlopige hechtenis na ommekomst van het uitzitten van die gevangenisstraf is opgeheven, en bepaalt voorts dat de voorlopige hechtenis herleeft indien verdachte tijdens de schorsing om wat voor reden dan ook (tijdelijk) feitelijk in vrijheid wordt gesteld.
Dit bevel is gegeven in raadkamer van deze rechtbank op 23 juli 2026 door:
mr. C.H.W.M. Sterk, voorzitter,
mr. W.A.H.A. Schnitzler-Strijbos en mr. H. Faouzi, rechters,
in tegenwoordigheid van S.E. van de Berkt, griffier.