Eiser, voormalig buurttoezichthouder, kreeg in 2013 een Ziektewetuitkering toegekend vanwege psychische klachten. Het UWV verklaarde hem in januari 2014 hersteld en beëindigde de uitkering. Eiser vroeg in 2023 herziening aan op grond van nieuwe feiten, waaronder een latere diagnose achalasie en alcoholabuses, maar het UWV weigerde terug te komen op het eerdere besluit.
De rechtbank beoordeelde of het UWV terecht het verzoek afwees. De verzekeringsarts bezwaar en beroep had het dossier zorgvuldig bestudeerd en concludeerde dat de medische situatie op de datum van het oorspronkelijke besluit niet anders was dan eerder vastgesteld. De latere diagnose en medische stukken uit 2015-2022 waren niet relevant voor de situatie in 2014.
Eiser stelde dat de alcoholabuses het gevolg waren van de toen nog onbekende achalasie en dat dit tot volledige arbeidsongeschiktheid leidde. De rechtbank vond echter dat de klachten en het alcoholmisbruik destijds al bekend waren en meegenomen in de beoordeling. Er was geen aanleiding voor een urenbeperking of andere aanpassing.
De rechtbank vond het bestreden besluit zorgvuldig gemotiveerd en niet evident onredelijk. Daarom verklaarde zij het beroep ongegrond en wees zij het verzoek van eiser af. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding of griffierecht terug.