ECLI:NL:RBZWB:2026:827

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
24/7165
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:5 AwbArt. 4:6 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering UWV om terug te komen op beëindiging Ziektewetuitkering is terecht

Eiser, voormalig buurttoezichthouder, kreeg in 2013 een Ziektewetuitkering toegekend vanwege psychische klachten. Het UWV verklaarde hem in januari 2014 hersteld en beëindigde de uitkering. Eiser vroeg in 2023 herziening aan op grond van nieuwe feiten, waaronder een latere diagnose achalasie en alcoholabuses, maar het UWV weigerde terug te komen op het eerdere besluit.

De rechtbank beoordeelde of het UWV terecht het verzoek afwees. De verzekeringsarts bezwaar en beroep had het dossier zorgvuldig bestudeerd en concludeerde dat de medische situatie op de datum van het oorspronkelijke besluit niet anders was dan eerder vastgesteld. De latere diagnose en medische stukken uit 2015-2022 waren niet relevant voor de situatie in 2014.

Eiser stelde dat de alcoholabuses het gevolg waren van de toen nog onbekende achalasie en dat dit tot volledige arbeidsongeschiktheid leidde. De rechtbank vond echter dat de klachten en het alcoholmisbruik destijds al bekend waren en meegenomen in de beoordeling. Er was geen aanleiding voor een urenbeperking of andere aanpassing.

De rechtbank vond het bestreden besluit zorgvuldig gemotiveerd en niet evident onredelijk. Daarom verklaarde zij het beroep ongegrond en wees zij het verzoek van eiser af. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding of griffierecht terug.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat het UWV terecht heeft geweigerd terug te komen op het besluit tot beëindiging van de Ziektewetuitkering.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats: Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/7165 ZW

uitspraak van 10 februari 2026 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,

(gemachtigde: mr. F. Ergec),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(UWV; kantoor Breda), verweerder.

Samenvatting

1. Het UWV heeft in het verleden eiser hersteld geacht voor zijn werk en de uitkering van eiser op grond van de Ziektewet (ZW) beëindigd. Deze uitspraak gaat over de weigering van het UWV om, na een nieuwe aanvraag van eiser, terug te komen op dat besluit. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het UWV terecht bij de beslissing tot beëindiging van de ZW-uitkering is gebleven.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV terecht heeft geweigerd om terug te komen op de beslissing van 30 januari 2014
.Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Feiten en omstandigheden

2. Eiser is werkzaam geweest als buurttoezichthouder. Voor dat werk is hij op 3 mei 2013 uitgevallen vanwege psychische klachten. Eiser had een tijdelijk dienstverband van 20 februari 2013 tot 20 augustus 2013. Met het besluit van 11 september 2013 heeft het UWV aan eiser een ZW-uitkering toegekend met ingang van 21 augustus 2013.
2.1.
Met het besluit van 30 januari 2014 heeft het UWV eiser hersteld verklaard met ingang van 3 februari 2014 en zijn ZW-uitkering per die datum beëindigd. Eiser heeft geen bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
2.2.
Op 14 maart 2023 heeft eiser een aanvraag gedaan tot herziening van het besluit van 30 januari 2014 vanwege nieuwe feiten en omstandigheden. Met het besluit van 23 april 2023 heeft het UWV geweigerd om terug te komen op het besluit van 30 januari 2014. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
2.3.
Met de beslissing op bezwaar van 10 september 2024 (bestreden besluit) is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en is het UWV bij de afwijzing van het verzoek
gebleven.

Procesverloop

3. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
3.1.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
3.2.
De rechtbank heeft het beroep op 30 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en [vertegenwoordiger] namens het UWV.

Beoordeling door de rechtbank

Wettelijk kader
4. In artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staat het volgende.
1. Indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.
2. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de Pro aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.
Grondslag van het bestreden besluit
5. Aan het bestreden besluit ligt een rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep (verzekeringsarts b&b) ten grondslag.
5.1.
De verzekeringsarts b&b heeft het dossier bestudeerd en was aanwezig tijdens de hoorzitting. De primaire arts heeft vermeld dat eiser in januari 2014 nog onderzoeken heeft gehad, maar dat er geen ernstige bevindingen waren. Uit medische informatie van de chirurg van 16 januari 2015 blijkt dat ergens in 2014 achalasie is vastgesteld waarvoor driemaal behandeling heeft plaatsgevonden. Met de door eiser in 2014 gemelde pijn- en maagklachten is rekening gehouden bij de hersteld melding. Uit de in deze procedure ingediende (medische) stukken blijkt niet dat eisers belastbaarheid anders is dan eerder is aangegeven of dat eisers medische situatie is onderschat. Een diagnose is op zichzelf niet bepalend voor de vaststelling van de belastbaarheid en leidt niet zonder meer tot een wijziging daarvan. Bij achalasie blijft voedsel in de slokdarm hangen, waardoor slikken steeds moeilijker gaat met klachten van pijn en/of krampen in de buurt van het borstbeen tot gevolg. Gezien de klachten, passend bij achalasie, is er volgens de verzekeringsarts b&b geen aanleiding om aan te nemen dat de belastbaarheid van eiser wordt overschreden in de werkzaamheden als buurttoezichthouder. Het betreft namelijk fysiek licht werk, waarbij er geen druk wordt uitgeoefend op de buikstreek. Verder is eiser bekend met alcoholabuses vanwege de slikproblemen. Niet gebleken is dat de verslaving aan alcohol per datum in geding (3 februari 2014) tot objectiveerbare medische beperkingen leidde of dat noodzaak was tot een klinische opname of behandeling. De verzekeringsarts b&b concludeert dat eiser geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft ingebracht, die niet eerder bekend waren of eerder bekend hadden kunnen zijn, op grond waarvan er aanleiding is om terug te komen van de beslissing van 30 januari 2014.
Standpunt eiser
6. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat wel sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden. Ten tijde van het besluit van 30 januari 2014 leed eiser aan slikproblemen. Omdat er geen oorzaak voor deze slikproblemen werd gevonden, misbruikte hij alcohol (alcoholabuses) om de pijn te verzachten. De latere diagnose achalasie, die toen nog niet bekend was, blijkt de onderliggende ziekte te zijn die de alcoholabuses heeft veroorzaakt en die ervoor heeft gezorgd dat eiser volledig arbeidsongeschikt was. De verzekeringsarts b&b overweegt volgens eiser ten onrechte dat de alcoholabuses op de datum in geding niet aantoonbaar leidt tot objectiveerbare afwijkingen. Eiser verzoekt de rechtbank daarom een onafhankelijk deskundige te benoemen. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft eiser het journaal van zijn huisarts overgelegd, waaruit het klachtenverloop blijkt.
Overwegingen rechtbank
7. Volgens vaste rechtspraak moet een aanvraag voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering na een eerdere (gedeeltelijke) afwijzing of intrekking van die uitkering naar zijn strekking worden beoordeeld.
7.1.
Het UWV heeft op het verzoek van eiser om terug te komen van het besluit van 30 januari 2014 beslist met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Dit betekent dat aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden zal worden getoetst of het UWV zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn die aanleiding geven het besluit van 30 januari 2014 te herzien. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is. [1]
Is er sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden?
7.2.
Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd. Nieuwe stukken ter onderbouwing van de ingenomen stellingen kunnen uiterlijk in de bezwaarfase worden ingebracht. [2]
7.3.
De rechtbank is van oordeel dat het onderzoek van het UWV zorgvuldig is geweest. De verzekeringsarts b&b heeft de beschikbare medische gegevens betrokken bij haar beoordeling en was aanwezig bij de hoorzitting.
De door eiser overgelegde medische stukken zien op de periode van 2015 tot en met 2022. Deze stukken zijn van na het besluit van 30 januari 2014 en in die zin weliswaar nieuw, maar eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat die medische informatie van (veel) latere datum relevant is voor zijn medische situatie en de daaruit volgende beperkingen op 3 februari 2014 (datum in geding). Hieruit blijkt niet dat eiser vanwege alcoholabuses niet kon werken.
De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsarts b&b navolgbaar heeft gerapporteerd dat bij de beoordeling in 2014 rekening is gehouden met eisers maag- en slokdarmklachten. Eiser heeft ter zitting ook bevestigd dat hij deze klachten toen heeft besproken bij de verzekeringsarts. De klachten passen bij de in augustus 2014 vastgestelde diagnose achalasie. Dat de diagnose pas later is gesteld, is echter op zichzelf en zonder nadere onderbouwing onvoldoende om aan te nemen dat dit betekenis heeft voor de vaststelling van meer arbeidsbeperkingen bij eiser in het verleden. [3]
Ter zitting heeft eiser aangevoerd dat een urenbeperking had moeten worden aangenomen vanwege het vele braken en zijn alcoholabuses. Volgens eiser was met de diagnose pas duidelijk dat de alcoholabuses het gevolg was van de slokdarm- en maagklachten. Naar het oordeel van de rechtbank is voor de vaststelling van eisers beperkingen echter niet van belang of het alcoholmisbruik de oorzaak was van eisers klachten, of het gevolg was van zijn klachten. Het alcoholmisbruik en ook de slokdarm- en maagklachten waren in 2014 al bekend en zijn meegenomen in de beoordeling van eisers beperkingen. Eiser heeft – ook met het in beroep overgelegde huisartsenjournaal – niet aannemelijk gemaakt dat het klachtenbeeld ernstiger was dan destijds ingeschat. Omdat eiser rond de datum in geding niet in behandeling was voor zijn alcoholabuses, was er ook geen aanleiding voor een urenbeperking.
Het UWV heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden, die zien op de datum in geding (3 februari 2014) en aanleiding moeten geven om terug te komen op het besluit van 30 januari 2014.
7.4.
Nu uit het voorgaande blijkt dat het bestreden besluit is voorzien van een deugdelijke (medische) grondslag en de rechtbank geen reden ziet om te twijfelen aan de juistheid van de uitkomst, ziet de rechtbank geen aanleiding een deskundige aan te wijzen.
Evident onredelijk
7.5.
De rechtbank ziet in datgene wat eiser heeft aangevoerd evenmin aanleiding om te oordelen dat de weigering om terug te komen op het besluit van 30 januari 2014 evident onredelijk is.

Conclusie en gevolgen

8. De rechtbank concludeert dat het UWV terecht heeft geweigerd om terug te komen op de beslissing van 30 januari 2014. Het beroep zal daarom ongegrond worden verklaard.
8.1.
Omdat het beroep ongegrond wordt verklaard, krijgt eiser geen proceskostenvergoeding. Ook krijgt eiser het griffierecht niet vergoed.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Snoeks, rechter, in aanwezigheid van M.H.A. de Graaf, griffier, op 10 februari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.