AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Herziening en terugvordering ouderdomspensioen na huwelijk met oplegging boete door SVB
Eiser ontvangt sinds 2011 een ouderdomspensioen volgens de ongehuwdennorm. Na zijn huwelijk in Gambia op 2 juli 2022, dat hij niet tijdig meldde, heeft de SVB het pensioen per augustus 2022 herzien naar de gehuwdennorm en het te veel betaalde bedrag van €8.452,24 teruggevorderd. Tevens legde de SVB een boete van €2.859,17 op wegens schending van de inlichtingenplicht.
Eiser maakte bezwaar tegen deze besluiten en stelde beroep in tegen het niet tijdig beslissen. De rechtbank verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk omdat de SVB alsnog beslissingen op bezwaar heeft genomen. De rechtbank oordeelt dat de SVB terecht het pensioen heeft herzien en het te veel betaalde bedrag heeft teruggevorderd, omdat eiser zijn huwelijk niet tijdig meldde en redelijkerwijs had moeten weten dat dit gevolgen had.
De rechtbank vindt geen dringende redenen om af te zien van herziening of terugvordering. De opgelegde boete is passend omdat eiser de inlichtingenplicht heeft geschonden en er sprake is van normale verwijtbaarheid. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen omdat geen onrechtmatig besluit is vastgesteld. De beroepen worden ongegrond verklaard en de bestreden besluiten blijven in stand.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en handhaaft de herziening, terugvordering en boete van de SVB.
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummers: BRE 25/1758 en 25/6515 AOW
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 februari 2026 in de zaken tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
en
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank Utrecht(de SVB), verweerder.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de herziening van het ouderdomspensioen van eiser naar de norm voor een gehuwde, de terugvordering van het te veel betaalde bedrag aan pensioen en de oplegging van een boete op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW). Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank beoordeelt de beroepen aan de hand van deze beroepsgronden.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de SVB terecht het ouderdomspensioen van eiser heeft herzien naar de norm voor een gehuwde, het te veel betaalde bedrag aan pensioen heeft teruggevorderd en een boete heeft opgelegd. Eiser krijgt dus geen gelijk en de beroepen zijn dus ongegrond. Eiser krijgt ook geen schadevergoeding. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met het besluit van 13 maart 2024 (primair besluit I) heeft de SVB het ouderdomspensioen van eiser met ingang van augustus 2022 herzien naar de norm voor een gehuwde. Daarbij heeft de SVB het over de periode van augustus 2022 tot en met februari 2024 te veel betaalde ouderdomspensioen ten bedrage van € 8.452,24 teruggevorderd.
Met het besluit van 6 november 2024 (primair besluit II) heeft de SVB opnieuw meegedeeld dat van eiser een bedrag van € 8.452,24 wordt teruggevorderd. In dit besluit is een betalingsregeling vastgesteld van € 85,50 per maand. Daarnaast heeft de SVB aan eiser een boete opgelegd van € 2.859,17.
2.1.
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen beide primaire besluiten en een verzoek om vergoeding van schade ingediend.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaren.
2.3.
De SVB heeft op het beroep niet tijdig beslissen gereageerd met een verweerschrift. Bijgevoegd zijn twee afzonderlijke beslissingen op bezwaar van 15 mei 2025 (bestreden besluit I en bestreden besluit II), waarin de SVB eisers bezwaren tegen de primaire besluiten I en II ongegrond heeft verklaard. Bij brief van 15 mei 2025 heeft de SVB ook eisers verzoek om schadevergoeding afgewezen.
2.4.
Eiser heeft desgevraagd laten weten het beroep niet in te trekken en heeft gereageerd op de bestreden besluiten.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep gesplitst en aan het beroep tegen bestreden besluit I het zaaknummer BRE 25/1758 toegekend en aan het beroep tegen bestreden besluit II het zaaknummer BRE 25/6515.
2.6.
De rechtbank heeft de beroepen gelijktijdig op 30 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en mr. A. Marijnissen namens de SVB.
Feiten
3. Eiser ontvangt sinds juni 2011 een ouderdomspensioen op grond van de AOW. Het pensioen is bij toekenning vastgesteld naar de norm voor een ongehuwde. Op dit pensioen is een korting toegepast van 4%, omdat eiser afgerond twee jaar niet verzekerd is geweest voor de AOW.
3.1.
Eiser is eerder gehuwd geweest van 1 februari 2013 tot en met 30 april 2020 en heeft in deze periode ouderdomspensioen ontvangen naar de norm voor een gehuwde.
3.2.
Op 2 juli 2022 is eiser in Gambia gehuwd met [naam] (echtgenote).
3.3.
Naar aanleiding van een melding door de gemeente over de inschrijving van een nieuwe medebewoner op het adres van eiser, heeft de SVB bij brief van 1 september 2023 een onderzoek ingesteld naar eisers woon- en leefsituatie. Op 6 september 2023 heeft eiser aan de SVB doorgegeven dat zijn echtgenote vanaf 12 augustus 2023 bij hem in Nederland is komen wonen.
Beoordeling door de rechtbank
Niet tijdig beslissen
4. De rechtbank stelt vast dat de SVB na het instellen van het beroep tegen het niet tijdig beslissen op eisers bezwaren alsnog de bestreden besluiten I en II heeft genomen. Niet gebleken is dat eiser nog belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het niet tijdig nemen van (een) besluit(en) door de SVB. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.
4.1.
Omdat eiser beroep heeft ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaren voordat de beslistermijn was verstreken én voordat hij bij brief van 1 mei 2025 een ingebrekestelling naar de SVB heeft gestuurd, zou het beroep niet tijdig beslissen ook om deze reden niet-ontvankelijk zijn geweest, ware het niet dat voordat de rechtbank uitspraak heeft gedaan de beslissingen op bezwaar zijn genomen. Dit betekent wel dat eiser ten aanzien van het beroep tegen het niet tijdig beslissen geen recht heeft op vergoeding van het griffierecht.
De inhoudelijke beslissingen op bezwaar
5. De rechtbank beoordeelt of de SVB het ouderdomspensioen van eiser terecht met terugwerkende kracht vanaf augustus 2022 heeft herzien naar de norm voor een gehuwde en het te veel betaalde bedrag aan ouderdomspensioen heeft teruggevorderd (bestreden besluit I) en of de SVB terecht aan eiser een boete heeft opgelegd (bestreden besluit II). Eiser heeft geen gronden aangevoerd tegen de betalingsregeling in bestreden besluit II, dus dat onderdeel blijft in deze uitspraak buiten beschouwing.
5.1.
De rechtbank gaat niet in op de vragen en opmerkingen van eiser over zijn aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO) en/of (de consequenties van) een verblijf in het buitenland, omdat er geen beroep tegen een beslissing op bezwaar over deze onderwerpen ter beoordeling voorligt.
Toetsingskader
6. De voor de beoordeling van de beroepen belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Herziening en terugvordering van het ouderdomspensioen
7. Aan het bestreden besluit I heeft de SVB ten grondslag gelegd dat eiser ten onrechte zijn in het buitenland gesloten huwelijk niet (tijdig) heeft gemeld. Het had hem ook redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat hij te veel AOW ontving. Het AOW-pensioen is terecht herzien en van dringende redenen om (gedeeltelijk) af te zien van herziening is niet gebleken. Ook is geen sprake van bijzondere omstandigheden die ertoe moeten leiden dat de mate van terugwerkende kracht onevenredig is of van terugvordering wordt afgezien.
7.1.
De AOW kent een ouderdomspensioen voor de ongehuwde pensioengerechtigde en voor de gehuwde pensioengerechtigde. [1]
Uitgangspunt is dat als een AOW-pensioen ten onrechte of tot een te hoog bedrag is toegekend, de SVB gehouden is het besluit te herzien of in te trekken. [2] Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kan de SVB besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking af te zien. [3]
Het AOW-pensioen dat onverschuldigd is betaald door de SVB wordt teruggevorderd van de pensioengerechtigde. De SVB kan, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. [4]
7.2.
Eiser stelt in beroep dat hij niet wist dat hij een huwelijk in het buitenland moest melden als zijn echtgenote (nog) niet in Nederland komt wonen. Hij ging ervan uit dat er in de praktijk niets wijzigde, dus dat dit ook geen gevolgen had voor zijn AOW. Toen zijn echtgenote wel naar Nederland kwam, heeft hij gemeld dat ze bij hem kwam wonen. Volgens eiser dient de SVB de terugbetaling van de te veel betaalde AOW te schrappen.
7.3.
Vast staat dat eiser voor zijn (huidige) huwelijk een ouderdomspensioen ontving naar de norm voor een ongehuwde en dat hij op 2 juli 2022 is getrouwd met zijn echtgenote. Vanaf dat moment had hij dus recht op een ouderdomspensioen naar de norm voor een gehuwde. In de AOW is namelijk geen uitzonderingsbepaling opgenomen voor de situatie zoals eiser die beschrijft, waarin zijn echtgenote feitelijk (nog) in het buitenland woonde en er geen sprake is van “duurzaam gescheiden leven”.
7.4.
De rechtbank stelt vast dat eiser zijn huwelijk niet omstreeks de huwelijksdatum heeft gemeld bij de SVB. Doordat de SVB niet op de hoogte was van het huwelijk, is het aan hem toegekende ouderdomspensioen naar de norm voor een ongehuwde ongewijzigd voortgezet. Naar het oordeel van de rechtbank had eiser kunnen of moeten weten dat de omstandigheid dat hij inmiddels gehuwd is, van belang is voor de hoogte van zijn ouderdomspensioen. Hij is namelijk meerdere keren in brieven van de SVB gewezen op het doorgeven van wijzigingen in zijn persoonlijke situatie. Daar betrekt de rechtbank bij dat eiser eerder gehuwd is geweest in de periode dat hij pensioengerechtigd is. Hieruit volgt dat de SVB terecht eisers ouderdomspensioen heeft herzien naar de norm voor een gehuwde vanaf de maand nadat hij in het huwelijk is getreden.
7.5.
De herziening van het ouderdomspensioen van de norm voor ongehuwden naar de norm voor gehuwden betekent tevens dat de SVB het onverschuldigd betaalde ouderdomspensioen in beginsel moet terugvorderen.
Dringende redenen
7.6.
De SVB kan echter besluiten, als sprake is van dringende redenen, om geheel of gedeeltelijk van herziening en (afzonderlijk) van terugvordering af te zien.
7.7.
Bij de herziening en intrekking van een uitkering ten nadele van een betrokkene met terugwerkende kracht hanteert de SVB vanaf 8 maart 2024 nieuwe beleidsregels, die zijn opgenomen in SB1407. Dit nieuwe, soepelere beleid past de SVB toe in alle zaken waarin het besluit nog niet rechtens onaantastbaar is. In aanvulling hierop hanteert de SVB de vaste gedragslijn dat de ‘dringende reden’-toets bij de terugvordering op dezelfde wijze wordt uitgevoerd als bij de herziening of intrekking, waardoor in uitzonderingsgevallen al in de terugvorderingsfase rekening wordt gehouden met eventuele ernstige financiële gevolgen van een terugvordering. In een uitspraak van 21 november 2024 heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) geoordeeld dat de SVB met de nieuwe beleidsregel SB1407 in zijn algemeenheid een invulling aan de bepalingen over de dringende reden heeft gegeven die strookt met wat in de tussenuitspraak van 18 april 2024 is beoogd. Beleidsregel SB1407 voorziet erin dat tegenover het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald de relevante feiten en omstandigheden zodanig worden gewogen dat die afweging een toetsing aan het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel in het algemeen zal kunnen doorstaan. Daarnaast voorziet de beleidsregel in een structurele toetsing aan het evenredigheidsbeginsel. Bij die beoordeling is de mate waarin de betrokkene en de SVB een verwijt kan worden gemaakt van belang. Verder acht de CRvB in het licht van de genoemde tussenuitspraak de vaste gedragslijn van de SVB bij de terugvordering juist. Dit geldt ook voor het in uitzonderingsgevallen al in de terugvorderingsfase rekening houden met ernstige financiële gevolgen van een terugvordering. [5]
7.8.
In dit geval heeft de SVB zich, naar het oordeel van de rechtbank terecht, op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van dringende redenen om de herziening geheel of gedeeltelijk te matigen. Eiser kon redelijkerwijs weten dat zijn huwelijk van invloed zou kunnen zijn op zijn ouderdomspensioen. Hij heeft nagelaten dit huwelijk tijdig (binnen 4 weken) aan de SVB te melden. Pas op 6 september 2023 heeft eiser zijn huwelijk bij de SVB gemeld. Dat het ouderdomspensioen vervolgens pas in maart 2024 is herzien, maakt de herziening met terugwerkende kracht naar het oordeel van de rechtbank niet onevenredig. Eiser kon immers weten dat de verwerking van de melding nog zou plaatsvinden.
7.9.
Eiser moet een bedrag van € 8.452,24 aan onverschuldigd betaald ouderdomspensioen terugbetalen. De SVB heeft zich in het bestreden besluit I op het standpunt gesteld dat de door eiser genoemde omstandigheden (dat hij op bijstandsniveau moet leven, dat zijn echtgenote mogelijk moet stoppen met haar studie en eiser met zijn vrijwilligerswerkzaamheden, dat zijn vrijwilligersstichting opgeheven zou moeten worden en dat hij waarschijnlijk moet verhuizen omdat hij de huur niet kan betalen) geen bijzondere omstandigheden zijn die ertoe moeten leiden om (gedeeltelijk) van terugvordering af te zien. De rechtbank volgt de SVB in dit standpunt, omdat eiser niet met onderbouwende stukken aannemelijk heeft gemaakt dat deze omstandigheden zich voordoen. Daarnaast blijkt uit bestreden besluit II dat eiser een betalingsregeling heeft gekregen.
Tussenconclusie
7.10.
De rechtbank concludeert dat de SVB terecht het ouderdomspensioen van eiser heeft herzien naar de norm voor een ongehuwde en het onverschuldigd betaald ouderdomspensioen heeft teruggevorderd.
De opgelegde boete
8. Op grond van artikel 17c, eerste lid, van de AOW legt de SVB – samengevat en voor zover relevant – een bestuurlijke boete op indien de pensioengerechtigde de inlichtingenverplichting heeft geschonden.
8.1.
Aan het bestreden besluit II heeft de SVB ten grondslag gelegd dat terecht aan eiser een boete van € 2.859,17 is opgelegd, omdat eiser de inlichtingenverplichting heeft geschonden door zijn huwelijk niet tijdig aan de SVB door te geven, waardoor te veel ouderdomspensioen is betaald. Het maximale benadelingsbedrag is het bruto bedrag dat te veel is uitbetaald over de periode van augustus 2022 tot en met augustus 2023 en dat is € 5.718,34. De SVB meent dat in dit geval sprake is van een normale verwijtbaarheid, omdat eiser meerdere malen is gewezen op de plicht tot het doorgeven van wijzigingen. Daarom is de boete vastgesteld op 50% van het benadelingsbedrag. Bij de berekening van de draagkracht van eiser is vastgesteld dat het bedrag van de boete niet in 12 maanden kan worden betaald. Eiser beschikt echter over voldoende vermogen om het verschil te kunnen betalen. De SVB ziet geen aanleiding om af te zien van oplegging van een boete, omdat geen sprake is van het ontbreken van elke vorm van verwijtbaarheid noch van een rechtvaardigingsgrond voor schending van de mededelingsverplichting. Ook is volgens de SVB geen sprake van dringende redenen om af te zien van oplegging van de boete.
8.2.
Eiser stelt in beroep dat de SVB de opgelegde boete dient te schrappen, omdat er geen enkel bewijs van opzet is.
8.3.
Volgens vaste rechtspraak van de CRvB [6] is de bewijslast voor het opleggen van een boete zwaarder dan die bij de herziening of intrekking van een uitkering op de grond dat de inlichtingenplicht is geschonden en bij de terugvordering wegens onterecht of tot een te hoog bedrag ontvangen uitkering. In het geval van een boete dient het bestuursorgaan aan te tonen dat de inlichtingenplicht is geschonden.
8.4.
De rechtbank is van oordeel dat de SVB hiervoor al heeft aangetoond dat eiser de op hem rustende inlichtingenplicht niet is nagekomen door geen melding te maken van zijn huwelijk. De SVB hoeft niet te onderzoeken of eiser opzettelijk de inlichtingenplicht heeft geschonden, een vaststelling dat sprake is van verwijtbaarheid volstaat. [7] In dit geval kan niet worden gezegd dat bij eiser elke verwijtbaarheid ontbreekt. Hierbij is van belang dat het eiser redelijkerwijs duidelijk heeft kunnen zijn dat het huwelijk van invloed kon zijn op de hoogte van het ouderdomspensioen. De SVB was daarom in beginsel verplicht met toepassing van artikel 17c, eerste lid, van de AOW een boete op te leggen.
8.5.
De SVB heeft zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat sprake is van een normale verwijtbaarheid, waaruit een boete volgt van 50% van het benadelingsbedrag. De opgelegde boete is naar het oordeel van de rechtbank passend en geboden.
Het schadeverzoek
9. Eiser heeft in het bij het beroepschrift gevoegde bezwaarschrift verzocht om vergoeding van de geleden schade voor hem en zijn echtgenote van totaal € 86.000,-. In de ingebrekestelling van 1 mei 2025 heeft eiser zijn eis tot schadevergoeding verhoogd, en wel tot € 134.000,-. Ter zitting heeft eiser toegelicht dat zijn verzoek om schadevergoeding ziet op het algemeen handelen van de SVB.
9.1.
De rechtbank merkt het schadeverzoek van eiser aan als een verzoek op grond van artikel 8:88 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank overweegt dat voor vergoeding van schade bij de bestuursrechter vereist is dat de gestelde schade oorzakelijk verband houdt met een onrechtmatig besluit. Nu hiervoor is vastgesteld dat geen sprake is van een onrechtmatig besluit of besluiten in het kader van de AOW van de zijde van de SVB, is er ook geen aanleiding voor een vergoeding in het kader van gestelde gevolgschade. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding daarom af.
9.2.
Voor zover eiser stelt dat hij schade heeft geleden als gevolg van een andere (algehele) tekortkoming van de SVB, valt dat niet onder de omvang van deze procedures.
Conclusie en gevolgen
10. De rechtbank concludeert dat het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk zal worden verklaard. De beroepen zullen voor het overige ongegrond worden verklaard. Dat betekent dat de bestreden besluiten I en II standhouden. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.
10.1.
Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk;
- verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Snoeks, rechter, in aanwezigheid van M.H.A. de Graaf, griffier, op 10 februari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Bijlage
Algemene wet bestuursrecht(Awb)
Artikel 8:88
1. De bestuursrechter is bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van:
a. een onrechtmatig besluit;
b. een andere onrechtmatige handeling ter voorbereiding van een onrechtmatig besluit;
c. het niet tijdig nemen van een besluit;
d. een andere onrechtmatige handeling van een bestuursorgaan waarbij een persoon als bedoeld in artikel 8:2, eerste lid, onder a, zijn nagelaten betrekkingen of zijn rechtverkrijgenden belanghebbende zijn.
Artikel 8:89
1. Indien de schade wordt veroorzaakt door een besluit waarover de Centrale Raad van Beroep of de Hoge Raad in enige of hoogste aanleg oordeelt, is de bestuursrechter bij uitsluiting bevoegd.
2. In de overige gevallen is de bestuursrechter bevoegd voor zover de gevraagde vergoeding ten hoogste € 25 000 bedraagt met inbegrip van de tot aan de dag van het verzoek verschenen rente, en onverminderd het recht van de belanghebbende om op grond van andere wettelijke bepalingen schadevergoeding te vragen.
3. De bestuursrechter is in de gevallen, bedoeld in het tweede lid, niet bevoegd indien de belanghebbende het verzoek heeft ingediend nadat hij ter zake van de schade een geding bij de burgerlijke rechter aanhangig heeft gemaakt.
4. Zolang het verzoek van de belanghebbende bij de bestuursrechter aanhangig is, verklaart de burgerlijke rechter een vordering tot vergoeding van de schade niet ontvankelijk.
Algemene ouderdomswet(AOW)
Artikel 9 (voor zover van belang)
1. Deze wet kent een bruto-ouderdomspensioen voor:
a. de ongehuwde pensioengerechtigde;
b. de gehuwde pensioengerechtigde.
3. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt:
b. als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is.
Artikel 17a
1. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van ouderdomspensioen en terzake van weigering van ouderdomspensioen, herziet de Sociale verzekeringsbank een dergelijk besluit of trekt zij dat in:
a. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 15, tweede lid, of 49 heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van ouderdomspensioen;
b. indien anderszins het ouderdomspensioen ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;
c. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting bedoeld in artikel 15, tweede lid, of 49, ertoe leidt dat niet kan worden vastgesteld of nog recht op ouderdomspensioen bestaat.
2. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan de Sociale verzekeringsbank besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking af te zien.
Artikel 17c (voor zover van belang)
1. De Sociale verzekeringsbank legt een bestuurlijke boete op van ten hoogste het benadelingsbedrag wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de pensioengerechtigde, zijn echtgenoot, of zijn wettelijke vertegenwoordiger van de verplichting, bedoeld in artikel 49. Indien de feiten en omstandigheden, bedoeld in artikel 49, niet of niet behoorlijk zijn medegedeeld en deze overtreding opzettelijk is begaan, bedraagt de bestuurlijke boete ten hoogste het bedrag van de vijfde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht. Indien de feiten en omstandigheden, bedoeld in artikel 49, niet of niet behoorlijk zijn medegedeeld en deze overtreding niet opzettelijk is begaan, bedraagt de bestuurlijke boete ten hoogste het bedrag van de derde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.
2. In dit artikel wordt onder benadelingsbedrag verstaan het brutobedrag dat als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 49, ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan ouderdomspensioen is verleend.
8. De Sociale verzekeringsbank kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
Artikel 24, eerste en vijfde lid
1. Het ouderdomspensioen dat als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 17 onverschuldigdPro is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt door de Sociale verzekeringsbank teruggevorderd van de pensioengerechtigde of zijn wettelijke vertegenwoordiger, dan wel van de erfgenaam van de pensioengerechtigde voor zover het onverschuldigd betaalde in het vermogen van die erfgenaam is gevallen.
5. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan de Sociale verzekeringsbank besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
Artikel 49
De pensioengerechtigde, zijn echtgenoot, alsmede zijn wettelijke vertegenwoordiger of de instelling waaraan ingevolge artikel 20 ouderdomspensioenPro wordt uitbetaald, zijn verplicht aan de Sociale verzekeringsbank op haar verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee te delen, waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering, de hoogte van de uitkering of op het bedrag van de uitkering, dat wordt betaald. De verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door de Sociale verzekeringsbank kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.
Boetebesluit socialezekerheidswetten
Artikel 2
1. Indien als gevolg van overtreding van de inlichtingenverplichting sprake is van een benadelingsbedrag, worden bij de vaststelling van de hoogte van de bestuurlijke boete de uitgangspunten in het tweede tot en met het tiende lid in acht genomen.
2. Indien de inlichtingenverplichting opzettelijk is overtreden, wordt de bestuurlijke boete vastgesteld op 100 procent van het benadelingsbedrag.
3. Indien sprake is van grove schuld ten aanzien van de overtreding van de inlichtingenverplichting, wordt de bestuurlijke boete vastgesteld op 75 procent van het benadelingsbedrag.
4. Indien geen sprake is van opzet of grove schuld ten aanzien van de overtreding van de inlichtingenverplichting, wordt de bestuurlijke boete vastgesteld op 50 procent van het benadelingsbedrag.
5. Indien sprake is van verminderde verwijtbaarheid ten aanzien van de overtreding van de inlichtingenverplichting, wordt de bestuurlijke boete vastgesteld op 25 procent van het benadelingsbedrag.
(…)
10. De stelplicht en bewijslast van feiten en omstandigheden die aanleiding kunnen geven voor verlaging van de bestuurlijke boete rust op betrokkene. Indien het bestuursorgaan op de hoogte is van bijzondere omstandigheden, wordt bij het opleggen van de bestuurlijke boete daarmee rekening gehouden.
Artikel 2a
1. Bij de bepaling van de hoogte van de bestuurlijke boete wordt de mate waarin de gedraging aan de betrokkene kan worden verweten beoordeeld naar de omstandigheden waarin betrokkene verkeerde op het moment dat hij de inlichtingenverplichting had moeten nakomen.
2. Bij de beoordeling van de mate waarin de gedraging aan de betrokkene kan worden verweten, leiden in ieder geval de volgende criteria tot verminderde verwijtbaarheid:
a. de betrokkene verkeerde in onvoorziene en ongewenste omstandigheden, die niet tot het normale levenspatroon behoren en die hem weliswaar niet in de feitelijke onmogelijkheid brachten om aan de inlichtingenverplichting te voldoen, maar die emotioneel zo ontwrichtend waren dat hem niet volledig valt toe te rekenen dat de inlichtingen niet tijdig of volledig zijn verstrekt;
b. de betrokkene verkeerde in een zodanige geestelijke toestand dat hem de overtreding niet volledig valt aan te rekenen;
c. de betrokkene heeft wel inlichtingen verstrekt, die echter onjuist of onvolledig waren, of heeft anderszins een wijziging van omstandigheden niet onverwijld gemeld, maar uit eigen beweging alsnog de juiste inlichtingen verstrekt voordat de overtreding is geconstateerd, tenzij de betrokkene deze inlichtingen heeft verstrekt in het kader van toezicht op de naleving van een inlichtingenverplichting;
d. de overtreding van de inlichtingenverplichting of de hoogte van het benadelingsbedrag is mede te wijten aan het bestuursorgaan dat bevoegd is de bestuurlijke boete op te leggen, of
e. er is sprake van een samenloop van omstandigheden die elk op zich niet, maar in hun onderlinge samenhang beschouwd wel leiden tot verminderde verwijtbaarheid.
Voetnoten
1.Artikel 9, eerste lid, van de AOW.
2.Dit staat in artikel 17a, eerste lid, van de AOW.