ECLI:NL:RBZWB:2026:962

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
27 februari 2026
Publicatiedatum
17 februari 2026
Zaaknummer
25/3392
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering UWV om terug te komen op eerdere afwijzing WIA-uitkering bevestigd

Eiser heeft in 2013 een WIA-uitkering aangevraagd die toen is afgewezen. In 2024 diende hij een nieuwe aanvraag in met het verzoek om terug te komen op het eerdere besluit. Het UWV weigerde dit en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank heeft het beroep van eiser behandeld en geoordeeld dat het UWV terecht geen aanleiding zag om het eerdere besluit te herzien.

De verzekeringsarts heeft in een rapportage van mei 2025 geconcludeerd dat er geen nieuwe medische feiten zijn die het eerdere oordeel onjuist maken. Hoewel eiser nieuwe diagnoses aanvoert, waaronder PTSS, is niet aannemelijk gemaakt dat deze in 2013 aanwezig waren of tot beperkingen leidden. De vermijdende persoonlijkheidsstoornis was al bekend en meegenomen in de beoordeling.

De rechtbank oordeelt dat het medisch onderzoek zorgvuldig is uitgevoerd en dat het UWV niet verplicht was om aanvullende medische informatie op te vragen. De aangevoerde medische stukken zijn niet nieuw of relevant voor de situatie in 2013. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het UWV weigert terecht terug te komen op het eerdere besluit.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats: Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/3392 WIA

uitspraak van 27 februari 2026 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,

(gemachtigde: mr. F. Ergec),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(UWV; kantoor Breda), verweerder.

Samenvatting

1. Het UWV heeft in het verleden geweigerd om aan eiser een uitkering toe te kennen op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Deze uitspraak gaat over de weigering van het UWV om, na een nieuwe aanvraag van eiser, terug te komen op dat besluit. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het UWV terecht (opnieuw) heeft geweigerd een WIA-uitkering te verstrekken.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV terecht geen aanleiding heeft gezien om terug te komen op de eerdere weigering een WIA-uitkering toe te kennen aan eiser. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Feiten en omstandigheden

2. Eiser is werkzaam geweest als algemeen medewerker. Voor dat werk is hij op 29 augustus 2011 uitgevallen vanwege psychische klachten.
Eiser heeft op 7 oktober 2013 een aanvraag gedaan voor een WIA-uitkering.
Met het besluit van 7 november 2013 is de aanvraag van eiser afgewezen. Eiser heeft geen rechtsmiddel aangewend tegen dit besluit.
2.1.
Op 28 november 2024 heeft eiser opnieuw een aanvraag gedaan voor een WIA-uitkering.
Met het besluit van 16 december 2024 heeft het UWV geweigerd om terug te komen op het besluit van 7 november 2023. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
2.2.
Met de beslissing op bezwaar van 28 mei 2025 (bestreden besluit) is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en is het UWV bij de afwijzing van het verzoek gebleven.

Procesverloop

3. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
3.1.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
3.2.
De rechtbank heeft het beroep op 13 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en [gemachtigde] als gemachtigde van het UWV.

Beoordeling door de rechtbank

Wettelijk kader
4. In artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staat het volgende.
1. Indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.
2. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de Pro aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.
Grondslag van het bestreden besluit
5. Aan het bestreden besluit ligt een rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) ten grondslag. De verzekeringsarts b&b vindt dat terecht geen nieuwe medische feiten zijn aangenomen die maken dat de beslissing van 7 november 2013 onjuist is. Hij legt dit uit in zijn rapportage van 27 mei 2025, waarin onder meer het volgende is opgenomen: “(..) Bestudering van alle beschikbare gegevens geeft geen aanleiding het primaire standpunt te herzien. (..) Bij haar beoordeling heeft de verzekeringsarts aangegeven dat sprake is van gegeneraliseerde angst-, depressieve persoonlijkheidsstoornis en tinnitus op grond waarvan belanghebbende slechts geschikt is te achten voor stressarme, fysiek niet overmatig zware en auditief niet te belastende arbeid.
In bezwaar stelt belanghebbende dat de rapporten van het UZA nieuw licht werpen op de tinnitusproblematiek. De tinnitus was echter de verzekeringsarts bekend en op grond hiervan heeft zij beperkingen geduid ten aanzien van geluidsbelasting.
Voorts stelt belanghebbende dat al 20 jaar sprake was van diabetes type 2, die gevolgen heeft voor de fysieke belastbaarheid. Ook met deze aandoening was de verzekeringsarts bekend, zo blijkt uit haar onderzoeksverslag.
Tenslotte stelt belanghebbende dat recent bij De Viersprong nieuwe diagnoses zijn gesteld waarvan Posttraumatische Stressstoornis (PTSS) – aldus belanghebbende – de kern van de zaak is. Belanghebbende kan echter niet onderbouwen dat deze diagnose in 2013 aanwezig was en tot beperkingen leidde. Overigens lees ik in de gegevens van de bedrijfsarts en de rapportage van de verzekeringsarts geen typische PTSS-symptomen. Dat de PTSS de kern van de zaak is wordt overigens niet gedeeld door zijn behandelaar: de hoofddiagnose is een vermijdende persoonlijkheidsstoornis.
Met betrekking tot laatstgenoemde stoornis vind ik wel aannemelijk dat deze ook al in 2013 heeft bestaan. Dit wordt bevestigd in de brief van de GGZ uit 2004 waarin ook al persoonlijkheidsproblematiek wordt beschreven, onder andere bestaand uit vermijden van diverse contacten. En ook de verzekeringsarts schrijft in haar verslag van 2013 dat belanghebbende bekend is met een ontwijkende (vermijdende) persoonlijkheid en hij al jaren psychische problemen heeft in de zin van vermijdingsgedrag en een ontwijkende persoonlijkheid die elkaar versterken. De verzekeringsarts benoemt dus de vermijdende/ontwijkende persoonlijkheid expliciet en neemt op grond hiervan onder andere beperkingen aan op conflicthantering, samenwerking en klantcontacten. Conclusie: het primair oordeel wijzigt niet naar aanleiding van het aangevoerde bezwaar. Terecht zijn geen nieuwe medische feiten aangenomen die maken dat de beslissing uit 2013 onjuist is.”
Standpunt eiser
6. Eiser meent dat ten onrechte is geoordeeld dat er geen sprake is van nieuwe medische feiten. Eiser meent dat hij nieuwe diagnoses heeft aangevoerd. Eiser meent dat er strijd is met het motiveringsbeginsel, en dat er een onafhankelijk deskundige benoemd dient te worden die de rechtbank kan informeren over de vraag of er sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden. Ten onrechte is de beslissing van 7 november 2013 dan ook niet herzien.
6.1.
Aanvullend stelt eiser dat het voor hem niet mogelijk is gebleken informatie ter verduidelijking van zijn standpunten in beroep in te brengen in deze procedure. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft eiser correspondentie met De Viersprong overgelegd. Eiser verzoekt nogmaals om benoeming van een deskundige in de vorm van een psychiater en wijst op een zorgvuldigheids- en een motiveringsgebrek vanuit het UWV, daar het volgens eiser op de weg van het UWV ligt om deze nadere medische informatie in te brengen ter verduidelijking van de diagnoses van eiser.
Standpunt UWV in reactie op het beroep van eiser
7. Het UWV blijft bij het standpunt in de beslissing op bezwaar en verwijst naar de rapportage van de verzekeringsarts b&b van 27 mei 2025, waarin gemotiveerd is aangegeven waarom geen sprake is van nieuwe feiten en/of omstandigheden die aanleiding geven om terug te komen op het eerdere besluit van 7 november 2013.
7.1.
Het UWV meent dat het bestreden besluit niet in strijd is met het motiveringsbeginsel. De verzekeringsarts b&b is in zijn rapportage onder andere ook ingegaan op de nieuw gestelde diagnose(s). Daarnaast merkt het UWV op dat de Centrale Raad van Beroep (CRvB) reeds heeft bepaald dat een nieuwe diagnose op zichzelf staand niet betekent dat er sprake is van een nieuw feit in de zin van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Bij de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid is niet een bepaalde diagnose doorslaggevend, maar de voor eiser geldende beperkingen voor het verrichten van arbeid. [1] De verzekeringsarts b&b heeft hier tevens rekening mee gehouden.
Overwegingen rechtbank
8. Volgens vaste rechtspraak moet een aanvraag voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering na een eerdere (gedeeltelijke) afwijzing of intrekking van die uitkering naar zijn strekking worden beoordeeld.
8.1.
Het UWV heeft op het verzoek van eiser om terug te komen van het besluit van 7 november 2013 beslist met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Dit betekent dat aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden zal worden getoetst of het UWV zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn die aanleiding geven het besluit van 7 november 2013 te herzien. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is. [2]
Is er sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden?
9. Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd. Nieuwe stukken ter onderbouwing van de ingenomen stellingen kunnen uiterlijk in de bezwaarfase worden ingebracht. [3]
9.1.
De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek van het UWV zorgvuldig is geweest. Voor zover eiser voor het eerst in beroep heeft gesteld dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is, omdat medische informatie had moeten worden opgevraagd bij de behandelend sector, wordt hij daarin niet gevolgd. Onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de CRvB [4] wordt overwogen dat een verzekeringsarts in beginsel mag varen op zijn eigen oordeel en is raadpleging van de behandelend sector aangewezen in die gevallen waarin een behandeling in gang is gezet of zal worden ingezet die een beduidend effect zal hebben op de mogelijkheden van een betrokkene tot het verrichten van arbeid, of als een betrokkene stelt dat de behandelend sector een beredeneerd afwijkend standpunt heeft over de beperkingen. Geen van deze situaties doet zich hier voor.
9.2.
De door eiser in bezwaar overlegde medische stukken van het UZA Antwerpen en de neurochirurg zien op de tinnitusproblematiek. Niet gesteld of gebleken is dat deze bewijsstukken uit 2010 en 2011 niet eerder konden worden overgelegd. De rapportage van GGZ De Viersprong is van na het besluit van 7 november 2013, namelijk van 26 november 2024, en in die zin weliswaar nieuw, maar eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat die medische informatie van (veel) latere datum relevant is voor zijn medische situatie en de daaruit volgende beperkingen op 26 augustus 2013 (datum in geding). Hoewel de rechtbank wil aannemen dat eisers traumatische jeugd voor veel angstklachten zorgt, blijkt uit de rapportage van GGZ De Viersprong niet dat de diagnose PTSS in 2013 aanwezig was en tot beperkingen leidde. Anders dan eiser heeft betoogd, heeft het UWV in de rapportage van GGZ De Viersprong ook geen aanleiding hoeven zien om nadere medische informatie in te brengen ter verduidelijking van de diagnoses van eiser. De rechtbank betrekt hierbij dat eiser onvoldoende redenen heeft aangebracht om te twijfelen aan de hoofddiagnose van een vermijdende persoonlijkheidsstoornis.
De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsarts b&b navolgbaar heeft gerapporteerd dat bij de beoordeling in 2013 rekening is gehouden met eisers psychische klachten, tinnitus en diabetes mellitus 2. Uit de rapportage van 24 oktober 2013 blijkt dat eiser destijds (ook) zijn psychische problemen uit het verleden heeft besproken met de verzekeringsarts. In voornoemde rapportage zijn geen aanknopingspunten te vinden om aan te nemen dat eiser zijn klachten destijds niet goed heeft kunnen beschrijven. De klachten passen bij de in 2013 vastgestelde diagnose gegeneraliseerde angst- en depressieve persoonlijkheidsstoornis. Voor zover (ook) voor de klachten die eiser had ten tijde van de datum in geding, 26 augustus 2013, later de diagnose PTSS is gesteld, kan deze diagnose op zichzelf niet als nieuw feit worden aangemerkt. Eiser heeft – ook met de in beroep overgelegde stukken – niet aannemelijk gemaakt dat het klachtbeeld ernstiger was dan destijds ingeschat. De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn stelling dat tinnitus destijds voor de verzekeringsarts voorliggend was. Dit blijkt namelijk niet uit de rapportage van 24 oktober 2013, waarin de verzekeringsarts overweegt: “(..) Bij onderzoek psychisch zijn er aanwijzingen voor persoonlijkheidsproblemen.
Daarnaast[nadruk toegevoegd] heeft cliënt afwijkingen die al jaren bestaan en momenteel door tinnitusproblemen toegenomen zijn. (..) Cliënt is altijd bekend geweest met psychische problemen. Als
bijkomende[nadruk toegevoegd] beperking geldt nu dat hij niet blootgesteld mag worden aan lawaai. (..)” Verder merkt de rechtbank op dat tinnitus als derde diagnose wordt benoemd, na de gegeneraliseerde angst- en depressieve persoonlijkheidsstoornis.
Het UWV heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden, die zien op de datum in geding (26 augustus 2013) en aanleiding moeten geven om terug te komen op het besluit van 7 november 2013.
9.3.
Nu uit het voorgaande blijkt dat het bestreden besluit is voorzien van een deugdelijke (medische) grondslag en de rechtbank geen reden ziet om te twijfelen aan de juistheid van de uitkomst, ziet de rechtbank geen aanleiding een deskundige aan te wijzen.
Evident onredelijk
10. De rechtbank ziet in datgene wat eiser heeft aangevoerd evenmin aanleiding om te oordelen dat de weigering om terug te komen op het besluit van 7 november 2013 evident onredelijk is.

Conclusie en gevolgen

11. De rechtbank concludeert dat het UWV op goede gronden heeft geweigerd om terug te komen op de beslissing van 7 november 2013. Het beroep zal daarom ongegrond worden verklaard.
11.1.
Omdat het beroep ongegrond wordt verklaard, krijgt eiser geen proceskostenvergoeding. Ook krijgt eiser het griffierecht niet vergoed.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Snoeks, rechter, in aanwezigheid van M.H.A. de Graaf, griffier, op 27 februari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.