ECLI:NL:RBZWB:2026:993

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
18 februari 2026
Zaaknummer
25/2628
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 2.3.2 WmoArt. 2.3.5 Wmo
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vergoeding traplift op grond van Wmo wegens beschikbaarheid slaapkamer en badkamer beneden

Eisers, de erfgenamen van een overleden vrouw met medische beperkingen, hadden beroep ingesteld tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dongen om de aanvraag voor vergoeding van een traplift af te wijzen. De vrouw kon vanwege haar beperkingen niet meer zelfstandig traplopen, maar er was een slaapkamer en badkamer op de begane grond beschikbaar.

De rechtbank oordeelt dat het college zorgvuldig onderzoek heeft gedaan, waaronder een huisbezoek, en dat het gebruik van de slaapkamer en badkamer beneden een passende oplossing bood. De traplift werd niet als noodzakelijke maatwerkvoorziening gezien omdat de eigen mogelijkheden van eiseres, waaronder het gebruik van de benedenverdieping, toereikend waren.

De rechtbank stelt dat het beroep voldoende procesbelang heeft en dat het college terecht heeft afgezien van vergoeding van de traplift. De keuze van de erfgenamen om zelf een traplift aan te schaffen kan niet worden gecompenseerd vanuit de Wmo. Het beroep wordt ongegrond verklaard en eisers krijgen geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de afwijzing van de trapliftvergoeding.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/2628 WMO

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 februari 2026 in de zaak tussen

de erven van [eiseres] , uit [woonplaats] , eisers

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dongen, het college.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van [eiseres] voor de vergoeding van een traplift op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo). Aan de hand van de beroepsgronden van eisers beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de aanvraag op goede gronden heeft afgewezen
.Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Namens eiseres is een aanvraag ingediend voor de vergoeding van een traplift. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 19 februari 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 24 april 2025 op het bezwaar van eiseres is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiseres is op 19 april 2025 overleden. De zoon en tevens bewindvoerder van eiseres ( [gemachtigde] ) heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De rechtbank heeft de gemachtigde aangemerkt als erfgenaam van eiseres. Ter zitting is gebleken dat de overige erfgenamen van eiseres instemmen met het ingediende beroep.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 9 februari 2026 op zitting behandeld. Eisers werden vertegenwoordigd door hun gemachtigde en namens het college is mr. T. Spaan verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiseres was een 79-jarige vrouw, bekend met medische problematiek (zoals Alzheimer en kanker). Zij was tot haar overlijden woonachtig bij haar zoon (de gemachtigde). Eiseres had een slaapkamer op de bovenverdieping en maakte daar ook gebruik van de badkamer. Vanwege haar lichamelijke problemen kon zij niet meer goed de trap op- en aflopen. De gemachtigde heeft zich op 6 januari 2025 bij het college gemeld en om de vergoeding van een traplift verzocht.
3.1.
In afwachting van het besluit van het college heeft de gemachtigde de traplift (van
€ 8.949,99) alvast aangeschaft en betaald. Het college heeft vervolgens een onderzoek ingesteld en op 3 februari 2025 een huisbezoek afgelegd, waarbij een gesprek heeft plaatsgevonden met de gemachtigde. Daaruit is gebleken dat er in de woning een slaapkamer en badkamer beschikbaar zijn op de benedenverdieping.
3.2.
Op 19 februari 2025 heeft het college besloten om de aanvraag af te wijzen. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Na ontvangst van het advies van de bezwarencommissie is het college overgegaan tot het nemen van het bestreden besluit.
Standpunt van het college
4. Volgens het college is er zorgvuldig onderzoek gedaan naar de situatie van eiseres. Zo is er een huisbezoek afgelegd en tijdig beslist op de aanvraag. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat van eiseres gevergd mocht worden dat zij gebruikmaakt van de slaapkamer en badkamer op de begane grond. Bij het slapen op de benedenverdieping kan bijvoorbeeld gebruikgemaakt worden van een hulpmiddel waarbij een waarschuwing gegeven wordt als eiseres uit bed gaat. Zo kunnen gevaarlijke situaties voorkomen worden. Verder kunnen er technieken ingezet worden om eiseres in het kader van haar dementie te ondersteunen bij het aanpassen aan veranderingen, zoals het aanbieden van gestructureerde routines, herhaaldelijk uitleggen van veranderingen en het betrekken van vertrouwde gezichten om de acceptatie te bevorderen. Ook kan eiseres de traplift niet zelfstandig bedienen en daarom levert de traplift geen passende bijdrage aan haar zelfredzaamheid in de woning. De aanwezige slaapkamer met badkamer op de begane grond biedt wel een langdurige en passende oplossing.
4.1.
Het college heeft in beroep aangevoerd dat er ten tijde van het nemen van het bestreden besluit geen belanghebbende meer was, waardoor het bezwaar eigenlijk niet-ontvankelijk verklaard had moeten worden.
Beroepsgronden
5. Eisers hebben gesteld dat de Wmo-consulent onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de medische toestand van eiseres. Er is niet zorgvuldig gekeken naar de situatie. Eiseres beneden laten slapen was niet verantwoord voor haar gezondheid en veiligheid.
Procesbelang
6. De rechtbank ziet zich voor de vraag geplaatst of eisers voldoende procesbelang hebben bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep. Er is sprake van voldoende procesbelang wanneer met het beroep daadwerkelijk bereikt kan worden wat met het indienen van het beroep wordt nagestreefd en als het realiseren van dat resultaat feitelijk betekenis kan hebben. [1] De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. De gemachtigde heeft namens eiseres verzocht om de vergoeding van een traplift, welk resultaat met deze procedure bereikt kan worden. Uit de stukken en ter zitting is gebleken dat de traplift is bekostigd door de gemachtigde en dat een eventuele vergoeding (enkel) hem toekomt. Daarmee heeft in ieder geval de gemachtigde als erfgenaam van eiseres een financieel (proces)belang bij deze procedure.
6.1.
Gelet op het vorenstaande kan de rechtbank het college niet volgen in de stelling dat het bezwaar eigenlijk niet-ontvankelijk verklaard had moeten worden.
Toetsingskader
7. Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en artikel 2.3.2 en 2.3.5 van de Wmo blijkt dat het college voldoende kennis dient te vergaren over de voor het nemen van een besluit over maatschappelijke ondersteuning van belang zijnde feiten en omstandigheden en af te wegen belangen. Dit brengt met zich dat wanneer bij het college melding wordt gedaan van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning het college allereerst moet vaststellen wat de hulpvraag is (stap 1). Vervolgens zal het college moeten vaststellen welke problemen worden ondervonden bij de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, dan wel het zich kunnen handhaven in de samenleving (stap 2). Eerst wanneer die problemen voldoende concreet in kaart zijn gebracht, kan worden bepaald welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is om een passende bijdrage te leveren aan de zelfredzaamheid of participatie van de ondersteuningsvrager, onderscheidenlijk het zich kunnen handhaven in de samenleving (stap 3). Uit artikel 2.3.2, vierde lid, aanhef en onder b, c en f, van de Wmo in samenhang met het derde en vierde lid van artikel 2.3.5 vloeit voort dat het onderzoek er vervolgens op gericht moet zijn of en in hoeverre de eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp, mantelzorg, ondersteuning door andere personen uit het sociale netwerk en voorliggende (algemene) voorzieningen de nodige hulp en ondersteuning kunnen bieden (stap 4). Slechts voor zover die mogelijkheden ontoereikend zijn dient het college een maatwerkvoorziening te verlenen. Voor zover het onderzoek naar de nodige ondersteuning specifieke deskundigheid vereist zal een specifiek deskundig oordeel en advies niet kunnen ontbreken. [2]
7.1.
De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Inhoud van het geschil
8. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiseres door haar beperkingen niet kon traplopen en daardoor de slaapkamer en badkamer op de bovenverdieping niet zonder traplift kon bereiken. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de nodige hulp en ondersteuning geboden kunnen worden door de eigen mogelijkheden (eigen kracht). De eigen mogelijkheden zien er dan op dat er een slaapkamer en badkamer beschikbaar is op de begane grond.
Eigen mogelijkheden
9. De CRvB heeft in zijn rechtspraak overwogen dat in de Memorie van Toelichting op de Wmo onder ‘eigen kracht’ wordt verstaan dat wat binnen het vermogen van de betrokkene ligt om zelf tot verbetering van zijn zelfredzaamheid en participatie te komen. De betrokkene zal zich in hoge mate moeten inspannen om dat aan te wenden wat binnen zijn eigen bereik ligt om zelf in zijn behoefte op het gebied van maatschappelijke ondersteuning te voorzien. [3] Het college mag in dat kader van eiseres verwachten dat de woning anders wordt ingericht als dat de beperking (voor een deel) compenseert. [4]
9.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college voldoende zorgvuldig onderzoek gedaan naar de situatie en eigen kracht van eiseres. Dat daarbij geen rekening is gehouden met het analfabetisme van eiseres, kan niet tot een ander oordeel leiden, nu dit onvoldoende verband houdt met het al dan niet beneden kunnen slapen. Ook heeft de gemachtigde niet aannemelijk gemaakt dat en waarin meerwaarde zou hebben gelegen in het in persoon zien van eiseres tijdens het huisbezoek.
9.2.
Het staat vast dat in de woning waar eiseres verbleef een slaapkamer en badkamer aanwezig is op de begane grond. Als zij hiervan gebruik zou maken, is er geen traplift nodig. De stelling van de gemachtigde dat beneden slapen niet meer verantwoord was, is niet medische stukken onderbouwd. In het kader van de veiligheid heeft het college gewezen op een alarmeringssysteem, zodat eiseres niet ongemerkt uit haar bed zou kunnen gaan. Verder is niet gebleken dat de voor eiseres ingeschakelde zorgprofessional de mogelijkheid om beneden te slapen voldoende heeft onderzocht. Daarbij is van belang dat de zorgprofessional pas in januari 2025 is ingeschakeld, kort voor de aanvraag en aanschaf van de traplift. Het college heeft tot slot bij de besluitvorming voldoende betrokken dat eiseres Alzheimer had en gerichte adviezen gegeven over het begeleiden in het omgaan met veranderingen.
9.3.
De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat het college de aanvraag voor een traplift heeft mogen afwijzen. Zoals eerder overwogen mocht van eiseres in het kader van de ‘eigen kracht’ in hoge mate inspanning worden verwacht om datgene aan te wenden wat in haar eigen bereik lag om zelf in haar behoefte aan ondersteuning te voorzien. De slaapkamer en badkamer op de benedenverdieping is door het college terecht aangemerkt als een passende bijdrage aan de mobiliteitsproblemen met betrekking tot het traplopen. Hoewel de rechtbank begrip heeft voor de keuze van de gemachtigde om eiseres in haar eigen vertrouwde slaapkamer te laten slapen en daarom zelf de traplift te bekostigen, kan deze keuze niet gecompenseerd worden vanuit de Wmo.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van de proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Snoeks, rechter, in aanwezigheid van J. Boer-IJzelenberg, griffier, op 18 februari 2026 en openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 3:2
Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.
Wet maatschappelijke ondersteuning
Artikel 2.3.2, vierde lid
Het college onderzoekt:
de behoeften, persoonskenmerken en de voorkeuren van de cliënt;
de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te verbeteren of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;
de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;
e behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt;
de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, onderscheidenlijk de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;
de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid, zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang;
welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2.1.4 en 2.1.4a, verschuldigd zal zijn.
Artikel 2.3.5, derde lidHet college beslist tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met een algemeen gebruikelijke voorziening, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 2.3.2 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de CRvB van 6 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2504.
2.Uitspraken van de CRvB van 1 mei 2017, ECLI:CRVB:2017:1477 en 21 maart 2018, ECLI:CRVB:2018:819.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 31 mei 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1046.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 1 juni 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ8290 of van 15 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CA0183 of van 27 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:429.