Betrokkene verbleef sinds januari 2013 in een zorginstelling en ontving indicaties voor zorgzwaartepakketten (ZZP) op grond van de AWBZ. Na het overlijden van betrokkene hebben de erven hoger beroep ingesteld tegen diverse indicatiebesluiten. De rechtbank verklaarde het beroep tegen de eerste drie besluiten niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang en wees het beroep tegen de latere besluiten ongegrond.
De Raad beoordeelde ambtshalve of de appellanten voldoende procesbelang hadden bij het hoger beroep. Gezien het overlijden van betrokkene was het belang voor het verkrijgen van zorg vervallen. Appellanten stelden een financieel belang te hebben vanwege mogelijke verhalen van meerzorgkosten door de zorginstelling, maar konden dit niet concreet onderbouwen. De Raad concludeerde dat het procesbelang ontbrak en verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk voor zover het de latere besluiten betrof.
Daarnaast oordeelde de Raad dat de rechtbank ten onrechte de vergoeding van de kosten van een door betrokkene ingeschakelde deskundige had afgewezen. De deskundige mocht worden beschouwd als een relevante bijdrage aan het proces, waardoor CIZ alsnog veroordeeld werd tot vergoeding van deze kosten en overige proceskosten in hoger beroep.