ECLI:NL:RVS:2001:AD3774
Raad van State
- Hoger beroep
- P. van Dijk
- J.A.E. van der Does
- F.P. Zwart
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid Minister van Justitie bij bezwaar tegen afwijzing Wob-verzoek inzake opsporingsonderzoek moord Vaatstra
Appellanten verzochten bij de officier van justitie om afschriften van stukken betreffende het opsporingsonderzoek naar de moord op Vaatstra, welke werden afgewezen. De Minister van Justitie verklaarde het bezwaar tegen deze afwijzing ongegrond. De rechtbank oordeelde dat de minister onbevoegd was om op het bezwaar te beslissen en vernietigde de beslissing op bezwaar.
De Raad van State stelde echter vast dat de minister wel bevoegd was, aangezien de officier namens hem handelde. De Raad verwierp het oordeel van de rechtbank en bevestigde dat de minister bevoegd was om te beslissen. Wel oordeelde de Raad dat het bezwaarschrift niet-ontvankelijk moest worden verklaard vanwege niet-verschoonbare termijnoverschrijding.
De Raad vernietigde het vonnis van de rechtbank voor zover deze het bezwaar niet-ontvankelijk had moeten verklaren, bevestigde het overige en veroordeelde de minister tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Hiermee werd de procedure afgerond met een duidelijke uitspraak over de bevoegdheid en ontvankelijkheid in Wob-zaken.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de afwijzing van het Wob-verzoek wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding.