ECLI:NL:RVS:2005:AT9862
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- T.M.A. Claessens
- J.H. van Kreveld
- Rechtspraak.nl
Prejudiciële vragen over machtiging tot voorlopig verblijf en standstill-bepaling bij Turkse vreemdelingen
De minister weigerde een verblijfsvergunning aan een Turkse vreemdeling omdat deze niet beschikte over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf die overeenkomt met het verblijfsdoel. De vreemdeling was niet vrijgesteld van deze eis en deed geen beroep op de hardheidsclausule. De voorzieningenrechter verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en bepaalde dat de minister een nieuw besluit moest nemen.
De zaak draait om de uitleg van artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol bij de Associatieovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije, die een standstill-bepaling bevat die nieuwe beperkingen op het gebied van vestiging en verblijf verbiedt. De minister stelt dat het vereiste van een machtiging tot voorlopig verblijf geen nieuwe beperking is, maar een formeel vereiste om illegaal verblijf te voorkomen. De vreemdeling betoogt dat het een materiële beperking betreft en dat de regeling sinds 1998 juist is aangescherpt.
De Raad van State overweegt dat het onduidelijk is of het vereiste van een machtiging tot voorlopig verblijf onder de standstill-bepaling valt en of een aanscherping na een eerdere versoepeling als nieuwe beperking moet worden beschouwd. Daarom verzoekt de Raad het Hof van Justitie om prejudiciële uitleg over deze vragen. De behandeling van het hoger beroep wordt geschorst totdat het Hof uitspraak heeft gedaan.
Uitkomst: De behandeling van het hoger beroep wordt geschorst en prejudiciële vragen worden gesteld aan het Hof van Justitie.