Uitspraak
200404081/1, aanknopingspunten te vinden voor een dergelijk standpunt. In die zaak was in tegenstelling tot de onderhavige geen enkele grond aangevoerd terzake van de daar gehanteerde afwijzingsgrond.
Raad van State
Het Bureau Rechtsbijstandvoorziening van de raad voor rechtsbijstand te Leeuwarden wees op 3 mei 2001 het verzoek van wederpartij om een toevoeging af. Na bezwaar verklaarde de raad het beroep gegrond en wees het verzoek alsnog af. De rechtbank Leeuwarden vernietigde deze beslissing op 14 april 2005 en verklaarde het beroep van wederpartij gegrond.
De raad voor rechtsbijstand stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De kern van het geschil betrof de vraag of het verzoek van wederpartij kennelijk van elke grond was ontbloot, zoals bedoeld in artikel 12 van Pro de Wet op de rechtsbijstand en artikel 3 van Pro het Besluit rechtsbijstand- en toevoegcriteria.
De Afdeling oordeelde dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat het verzoek niet volstrekt ontoereikend was en dat een verdergaande toets dan de marginale toets niet is voorgeschreven. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank bevestigd en de raad voor rechtsbijstand veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van € 322,00 aan wederpartij.
Uitkomst: Hoger beroep ongegrond verklaard en uitspraak rechtbank bevestigd met proceskostenveroordeling.