Uitspraak
200304968/1 en 200304968/2kan en moet een sloopvergunning alleen dan worden geweigerd, indien zich één van de in artikel 8.1.6. van de bouwverordening genoemde weigeringsgronden voordoet. Reeds omdat de vrees voor het gebruik van met door de sloop vrijkomende percelen geen weigeringsgrond als hiervoor bedoeld is, kan het betoog van appellanten sub 1 niet slagen. De mogelijkheid een sloopvergunning te weigeren op de grond dat niet vaststaat of, en zo ja, wanneer het bouwplan waarvoor bouwvergunning is verleend zal worden uitgevoerd, wordt in de bouwverordening niet geboden.
200400798/1) dient bij de beantwoording van de vraag of voorzien wordt in voldoende parkeermogelijkheden alleen rekening te worden gehouden met de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van de realisering van het bouwplan. Een reeds bestaand tekort mag derhalve buiten beschouwing worden gelaten. Hetgeen appellanten sub 2 aanvoeren, vormt geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college van de juiste parkeernormen is uitgegaan.
200303669/1(AB 2004, 114) dient, indien een zogenoemd stempeladvies in bezwaar gemotiveerd wordt bestreden, bij de beslissing op bezwaar specifiek aandacht te worden besteed aan de ter discussie gestelde welstandsaspecten. In aanmerking genomen dat appellanten sub 1 het welstandsadvies, dat niet meer behelst dan een stempel op de bouwtekening met de mededeling dat het plan voldoet aan redelijke eisen van welstand, in bezwaar gemotiveerd hebben bestreden, heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat het college heeft kunnen volstaan met te verwijzen naar het ten behoeve van het bouwplan uitgebrachte positieve welstandsadvies.