ECLI:NL:RVS:2005:BA2541
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- B. van Wagtendonk
- T.M.A. Claessens
- Rechtspraak.nl
Vaststelling procesbelang bij verblijfsvergunning asiel en beoordeling hoger beroep
De minister verleende aan een vreemdeling een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd en aan andere vreemdelingen een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd. De rechtbank verklaarde het beroep van de eerste vreemdeling ongegrond en die van de anderen gegrond, vernietigde de besluiten en beval nieuwe besluiten.
De minister stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Raad van State overwoog dat de eerste vreemdeling geen procesbelang had bij het beroep omdat het enkel ging om het verkrijgen van een motivering, wat geen gunstiger materiële rechtspositie oplevert. Daarom werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Voor de andere vreemdelingen stelde de Raad vast dat zij wel procesbelang hebben omdat zij zich richten tegen de weigering van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd, die een gunstiger positie biedt dan een vergunning voor bepaalde tijd. De eerdere uitspraak van de rechtbank werd bevestigd voor deze vreemdelingen.
De Raad corrigeerde tevens de rechtsgrondslag van de gegrondverklaring van de beroepen, waarbij de minister werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten. De uitspraak werd in het openbaar gedaan op 14 juni 2005.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang, terwijl de beroepen van de andere vreemdelingen worden bevestigd.