ECLI:NL:RVS:2006:AV6237

Raad van State

Datum uitspraak
22 maart 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200504508/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 WROArt. 19 Bro 1985Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit vrijstelling tijdelijk baggerdepot wegens onvoldoende aannemelijkheid tijdelijkheid

Het college van burgemeester en wethouders van Loppersum verleende een vrijstelling voor maximaal vijf jaar voor het oprichten en gebruiken van een tijdelijk baggerdepot op percelen in Middelstum. Appellanten maakten bezwaar tegen deze vrijstelling en stelden dat de tijdelijkheid onvoldoende was aangetoond.

De voorzieningenrechter verklaarde het beroep van appellanten ongegrond, maar de Raad van State oordeelde dat de rechter ten onrechte had geoordeeld dat het college voldoende concrete en objectieve gegevens had aangevoerd om het tijdelijke karakter van het baggerdepot aannemelijk te maken. De huurovereenkomst en milieuvergunningen lieten een mogelijke verlenging toe, en er was onduidelijkheid over de locatie van de baggerspecie na vijf jaar.

Daarom werd het hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de voorzieningenrechter vernietigd, en het beroep bij de rechtbank alsnog gegrond verklaard. Tevens werd het besluit van het college vernietigd en werd de gemeente verplicht het betaalde griffierecht aan appellanten te vergoeden.

Uitkomst: Het besluit tot vrijstelling voor het tijdelijk baggerdepot wordt vernietigd wegens onvoldoende aannemelijkheid van het tijdelijke karakter.

Uitspraak

200504508/1.
Datum uitspraak: 22 maart 2006
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellanten], beiden wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak in zaak nos. AWB 05/409 en 05/410 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen van 23 mei 2005 in het geding tussen:
appellanten
en
het college van burgemeester en wethouders van Loppersum.
1.    Procesverloop
Bij besluit van 4 augustus 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Loppersum (hierna: het college) aan het waterschap Noorderzijlvest (hierna: het waterschap) vrijstelling als bedoeld in artikel 17 van Pro de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) verleend voor de duur van ten hoogste vijf jaren ten behoeve van het oprichten en in gebruik hebben van een tijdelijk baggerdepot op de percelen, kadastraal bekend gemeente Middelstum, sectie H, nos. 284, 285, 286, 287 en  - gedeeltelijk - 278 (hierna: de percelen).
Bij besluit van 7 maart 2005 heeft het college het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar deels gegrond en deels ongegrond verklaard en de vrijstelling, met verbetering van de motivering en de grondslag, gehandhaafd.
Bij uitspraak van 23 mei 2005, verzonden op 25 mei 2005, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen (hierna: de voorzieningenrechter), voorzover thans van belang, het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 24 mei 2005, bij de Raad van State ingekomen op die dag, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 1 juni 2005. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 11 augustus 2005 heeft het college van antwoord gediend.
Bij brief van 27 juli 2005 heeft het waterschap dat in de gelegenheid is gesteld als partij aan het geding deel te nemen een reactie ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 februari 2006. Partijen zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen.
2.    Overwegingen
2.1.    Appellanten betogen dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat zowel het primaire besluit als het besluit op bezwaar zijn behandeld en genomen door dezelfde ambtenaar en dat de termijn voor het nemen van de beslissing op bezwaar is overschreden.
2.2.    De Algemene wet bestuursrecht verzet zich niet tegen de voorbereiding van beide besluiten door dezelfde ambtenaar. De besluiten zelf zijn door het daartoe bevoegde college genomen. Het college was ondanks de termijnoverschrijding gehouden een beslissing op bezwaar te nemen. De voorzieningenrechter heeft in de door appellanten genoemde omstandigheden dan ook terecht geen grond gezien het besluit op bezwaar te vernietigen.
2.3.    Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WRO kunnen burgemeester en wethouders met het oog op een voor een bepaalde termijn voorgenomen afwijking van een bestemmingsplan voor die termijn vrijstelling verlenen van dat plan. De termijn kan, ook na mogelijke verlenging, ten hoogste vijf jaren belopen.
Ingevolge artikel 19 van Pro het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (hierna: het Bro 1985) wordt vrijstelling als bedoeld in artikel 17 van Pro de WRO slechts verleend, indien aannemelijk is, dat het beoogde bouwwerk, werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheid dan wel gebruik niet langer dan vijf jaren in stand zal blijven respectievelijk zal voortduren.
2.4.    Appellanten betogen dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat het college zich met juistheid op het standpunt heeft gesteld dat de tijdelijkheid van het baggerdepot voldoende aannemelijk is geworden.
2.4.1.    Voorop moet worden gesteld dat uit de tekst van artikel 17 van Pro de WRO en de toelichting daarop blijkt dat de in deze bepaling voorziene vrijstellingsmogelijkheid, met gebruikmaking waarvan zonder tussenkomst van gedeputeerde staten kan worden afgeweken van een geldend bestemmingsplan, slechts open staat in gevallen waarin het gaat om een als tijdelijk beoogde afwijking van dat bestemmingsplan. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 27 juni 1995 in zaak nos. H01.95.0029 en H01.95.0034 (Gst. 1996, 7036, no. 6), biedt de omstandigheid dat de verleende vrijstelling voor een maximaal aantal jaren is verleend op zichzelf onvoldoende waarborg dat slechts sprake is van een tijdelijke situatie. Het tijdelijke karakter mag slechts worden aangenomen indien daarvoor concrete, objectieve gegevens voorhanden zijn. Bij het ontbreken daarvan is toepassing van artikel 17 van Pro de WRO niet mogelijk.
2.4.2.    De Afdeling is, anders dan de voorzieningenrechter, van oordeel dat met hetgeen het college in de beslissing op bezwaar heeft aangevoerd onvoldoende concrete, objectieve gegevens voorhanden waren voor het aannemen van de tijdelijkheid van het baggerdepot voor de aangegeven termijn. De tussen de eigenaar van de percelen en het waterschap voor maximaal vijf jaren gesloten huurovereenkomst, welke blijkens het bepaalde in artikel 13 in Pro de plaats komt van een reeds twee jaren eerder tussen partijen gesloten overeenkomst, sluit een (verdere) verlenging niet uit. Dat geldt ook voor de voor het baggerdepot verleende milieuvergunningen. Hierbij komt dat uit de brief van het waterschap van 27 juli 2005 blijkt dat de mogelijkheid bestaat dat de baggerspecie na vijf jaren nog niet volledig is ingedroogd. Uit de beslissing op bezwaar valt bovendien niet op te maken naar welke locatie de baggerspecie na het verloop van de vijf jaren kan worden overgebracht. Onder deze omstandigheden is niet voldaan aan het bepaalde in artikel 19 van Pro het Bro 1985. Het betoog slaagt derhalve.
2.5.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Het bij de rechtbank ingestelde beroep dient alsnog gegrond te worden verkaard. De beslissing op bezwaar komt eveneens voor vernietiging in aanmerking.
2.6.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.
3.    Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I.    verklaart het hoger beroep gegrond;
II.    vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen van 23 mei 2005, AWB 05/409 en 05/410 voor zover daarbij op het beroep is beslist;
III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;
IV.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Loppersum van 7 maart 2005, kenmerk AF/YB/2004.001956;
V.    gelast dat de gemeente Loppersum aan appellanten het door hen voor de behandeling van het hoger beroep en het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 345,00 (zegge: driehonderdvijfenveertig euro) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. W.D.M. van Diepenbeek, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, ambtenaar van Staat.
w.g. Vlasblom    w.g. Boermans
Voorzitter    ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 22 maart 2006
429.