ECLI:NL:RVS:2014:2239
Raad van State
- Hoger beroep
- R. van der Spoel
- C.M. Woestenburg-Bertels
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing Nederlanderschap wegens bedenkingen tegen verblijf en onvoldoende verblijfsduur
De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft het verzoek van appellant en haar minderjarige kind om het Nederlanderschap te verlenen afgewezen op grond van artikel 8 van Pro de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). De staatssecretaris verklaarde het bezwaar ongegrond en de rechtbank bevestigde deze beslissing. Appellant stelde dat zij onterecht niet was geadviseerd het verzoek niet in te dienen en dat de naturalisatieprocedure had moeten worden aangehouden in afwachting van de uitkomst van de vreemdelingenrechtelijke procedure.
De Raad van State overwoog dat de staatssecretaris pas op 28 december 2011 aanwijzingen had dat de verblijfsvergunning mogelijk zou worden ingetrokken, hetgeen appellant niet had weersproken. De tijdelijke aard van het verblijfsrecht leidde niet tot bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd, mede gelet op de geldende regelgeving. De rechtbank had terecht geoordeeld dat het niet verplicht was de beslissing op bezwaar aan te houden totdat de vreemdelingenrechtelijke procedure was afgerond.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De beslissing bevestigt dat de naturalisatieprocedure niet bedoeld is om vreemdelingenrechtelijke kwesties te heroverwegen en dat bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd een geldige grond voor afwijzing vormen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het verzoek tot Nederlanderschap bevestigd.