Uitspraak
200502014/1heeft geoordeeld, is voor dat oordeel bepalend of het schip wat de bouw, de inrichting of de uiterlijke kenmerken betreft, herkenbaar is als woonschip en dus naar objectieve maatstaven is bestemd voor bewoning.
Raad van State
Het college van burgemeester en wethouders van Emmen had appellant gelast zijn woonboot binnen zes weken te verwijderen van een locatie buiten de gemeentelijke woonschepenhaven, op grond van artikel 2:12a van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Appellant maakte bezwaar en stelde onder meer dat het schip niet als woonschip moest worden aangemerkt en dat het college onterecht handhavend optrad.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, maar de Raad van State oordeelde dat het college ten onrechte de APV als grondslag had gebruikt, terwijl de woonschepenverordening van toepassing was. De woonboot lag buiten de in de verordening aangewezen ligplaatsen, waardoor het college bevoegd was bestuursdwang toe te passen, maar op basis van de woonschepenverordening.
De Raad van State verwierp de bezwaren van appellant over strijd met het Binnenvaartpolitiereglement, de Scheepvaartverkeerswet en de Wet op de Ruimtelijke Ordening, en oordeelde dat het college terecht handhavend optrad. Het beroep werd gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank en het besluit van het college werden vernietigd, maar de rechtsgevolgen van het besluit bleven in stand. Het college werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het besluit en de uitspraak van de rechtbank worden vernietigd, maar de rechtsgevolgen van het besluit blijven in stand.