Uitspraak
200600863/1), dient de rechter binnen de omvang van het geding ambtshalve vast te stellen welk recht op het geding van toepassing is. De rechtbank kon daarom niet aan het betoog voorbijgaan met een beroep op de goede procesorde.
Raad van State
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam weigerde het huwelijk van appellanten, voltrokken op de consulaire afdeling van de Russische ambassade in Den Haag, te registreren in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens. Dit omdat het huwelijk niet was voltrokken ten overstaan van een Nederlandse ambtenaar van de burgerlijke stand, zoals vereist volgens artikel 4 van Pro de Wet conflictenrecht huwelijk (Wch).
Appellanten stelden dat het huwelijk rechtsgeldig was en dat het college ten onrechte artikel 36 van Pro de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (Wet GBA) had toegepast. De rechtbank oordeelde dat het huwelijk als in Nederland gesloten moest worden beschouwd en dat de registratie terecht was geweigerd. Tevens werd het bezwaar van appellant B tegen een afzonderlijk besluit niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding.
De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigde het oordeel van de rechtbank. Het exclusieve stelsel van brondocumenten voor registratie in de basisadministratie laat geen ruimte voor registratie op basis van het overgelegde Certificate of Marriage. Ook de stelling dat het Apostilleverdrag toepassing zou vinden, werd verworpen. De Afdeling oordeelde dat de weigering geen ontoelaatbare inbreuk op het recht op gezinsleven vormt en dat de bezwaarprocedure correct is toegepast.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering tot registratie van het huwelijk wordt bevestigd.