ECLI:NL:RVS:2007:BA2646
Raad van State
- Hoger beroep
- R.W.L. Loeb
- P.M.M. de Leeuw-van Zanten
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verplichting tot onderzoek rijvaardigheid ondanks betwisting verkeersovertredingen
De Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) verplichtte appellant zich te onderwerpen aan een onderzoek naar zijn rijvaardigheid vanwege een vermoeden dat hij niet langer over de vereiste rijvaardigheid beschikt. Dit vermoeden was gebaseerd op een groot aantal verkeersovertredingen waarvan appellant werd verdacht, waaronder 114 geconstateerde overtredingen in 2004 en 2005, waarvan 38 staande houdingen.
Appellant voerde aan dat hij het merendeel van de overtredingen niet zelf had begaan en dat het CBR ten onrechte op politierapportages was afgegaan zonder eigen onderzoek. Tevens stelde hij dat de voorzieningenrechter onterecht feiten had meegewogen die pas na de mededeling aan het CBR plaatsvonden en dat zijn strafrechtelijk verleden ten onrechte een rol speelde.
De Raad van State oordeelde dat het CBR terecht op het vermoeden mocht vertrouwen en dat eigen onderzoek niet vereist was zolang er geen objectieve reden was om aan de juistheid van de politierapportages te twijfelen. Ook mogen feiten die na de mededeling bekend werden, als bevestiging worden betrokken. Het beroep van appellant faalde ook omdat persoonlijke omstandigheden zoals inkomensverlies niet relevant zijn voor de verplichting tot het onderzoek.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de voorzieningenrechter bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de verplichting tot onderzoek rijvaardigheid bevestigd.