Uitspraak
201001860/1/H3overwogen dat een bestuursorgaan, in dit geval het CBR, in beginsel mag uitgaan van de juistheid van een op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal. Dat geldt evenzeer voor de rechter, tenzij tegenbewijs noopt tot afwijking van dit uitgangspunt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 11 april 2007 in zaak nr.
200606435/1) is voorts niet vereist dat het CBR eigen onderzoek doet naar de juistheid van de door de politie gerelateerde feiten, tenzij het objectieve redenen heeft om aan de juistheid daarvan te twijfelen. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd heeft de rechtbank terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het CBR niet mocht uitgaan van de juistheid van de inhoud van het proces-verbaal, omdat geen aanleiding bestaat om aan de juistheid van de daarin opgenomen waarnemingen te twijfelen. Daar komt nog bij dat een verbalisant geen belang heeft bij het opnemen van onjuistheden in een proces-verbaal. De omstandigheid dat de namen van de verbalisanten zijn weggelakt doet voorts geen afbreuk aan de betrouwbaarheid van het op ambtseed en ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal en de bruikbaarheid daarvan in deze procedure. Anders dan [appellant] ter zitting van de Afdeling heeft betoogd, doet zich evenmin een schending van het recht op een eerlijk proces zoals neergelegd in artikel 6, eerste lid, eerste volzin, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden voor.