ECLI:NL:RVS:2007:BA6472
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- C.H.M. van Altena
- G.J. van Muijen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering verstrekking paspoort wegens vermissingen en vermoeden misbruik
Appellant had op 22 juni 2004 een nieuw paspoort aangevraagd nadat zijn oude paspoort was ingenomen wegens beschadiging. De burgemeester van Amsterdam weigerde de afgifte van een nieuw paspoort omdat appellant sinds februari 2004 in het register Paspoortsignaleringen stond, met het vermoeden dat hij handelingen verrichtte die het vertrouwen in reisdocumenten schaadden. De burgemeester baseerde dit onder meer op het feit dat appellant binnen vier jaar negen aanvragen voor reisdocumenten had ingediend.
De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat de vermelding in het register geen besluit is waartegen bezwaar of beroep openstaat; de beoordeling van de aanvraag van een nieuw reisdocument is het moment voor toetsing. Appellant voerde aan dat slechts twee paspoorten als vermist waren opgegeven en dat een identiteitskaart niet als reisdocument mocht worden meegeteld, maar dit werd verworpen omdat de identiteitskaart volgens de Paspoortwet ook een reisdocument is.
Verder faalde het betoog van appellant dat hij in zijn verdedigingsbelang was geschaad doordat pas ter zitting werd vermeld dat in de Verenigde Staten personen waren aangehouden met een op zijn naam gesteld paspoort. De burgemeester mocht in redelijkheid weigeren, gelet op de feiten waaronder het opzettelijk beschadigen van reisdocumenten. Het beroep van appellant dat anderen op zijn naam aanvragen deden terwijl hij in detentie was, werd niet aannemelijk geacht.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 19 juli 2006. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de weigering tot afgifte van een paspoort is bevestigd.