Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[verzoeker] , te Amsterdam, verzoeker
de korpschef van politie, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
2017. Op 19 april 2017 is de politie een onderzoek gestart naar de camerabeelden van de club, dat is vastgelegd in een proces-verbaal. Op 12 juli 2017 is verzoeker gehoord als verdachte.
27 september 2017, waarbij de toestemming zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wpbr is ingetrokken. Verzoeker heeft betaling van een schadebedrag van € 24.144,48 gevorderd.
€ 25.000,- aan door verzoeker geleden schade. Verzoeker stelt zich daarbij op het standpunt dat verweerder met het intrekkingsbesluit een onrechtmatige daad in de zin van artikel 6:162 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) jegens hem heeft gepleegd. Verweerder heeft dat besluit namelijk genomen op grond van een onjuiste uitleg van de wet. Verweerder had, op grond van zijn discretionaire bevoegdheid tot een ander besluit kunnen en moeten komen. Verweerder had volgens verzoeker de uitspraak van de politierechter moeten afwachten alvorens een besluit te nemen. Verzoeker stelt dat de feiten die aan de beslissing op bezwaar ten grondslag zijn gelegd reeds bekend waren, dan wel bekend hadden kunnen zijn, ten tijde van het nemen van het intrekkingsbesluit. Hij betwist verweerders stelling dat hij pas in bezwaar een beroep op noodweer heeft gedaan.
De rechtbank stelt vast dat verweerder verzoekers toestemming in de zin van artikel 7 Wpbr Pro heeft ingetrokken, omdat hij zich wegens het incident op [datum] 2017 onvoldoende betrouwbaar heeft getoond. Verweerder heeft daaraan ten grondslag gelegd dat verzoeker op dat moment werd verdacht van mishandeling en een serieuze verdenking tegen hem bestond. Volgens verweerder waren er gelet op de aangifte tegen verzoeker wegens mishandeling op [datum] 2017 aanwijzingen dat verzoeker zich in bepaalde situaties niet in de hand kon houden en er dan voor kiest om geweld te gebruiken, terwijl van hem verwacht mocht worden dat hij deze situatie op een andere manier zou oplossen. Verweerder heeft in het intrekkingsbesluit het algemeen belang dat gemoeid gaat met de kwaliteitsborging van de beveiligingszorg afgewogen tegen de individuele belangen van verzoeker om middels beveiligingswerkzaamheden inkomen te vergaren en zijn werkplezier. Ter zitting heeft verweerder nog toegelicht dat bij zijn besluitvorming zijn betrokken het uittreksel juridische documentatie, de beschikbare beelden van het incident (zonder geluid) en de processen-verbaal van aangifte, verzoekers verhoor en het getuigenverhoor.
Subsidiair stelt verzoeker zich op het standpunt dat het besluit onrechtmatig is gezien de redenen voor de intrekking en de omstandigheden waaronder het intrekkingsbesluit tot stand is gekomen. Ten aanzien van de omstandigheden waaronder het besluit tot stand is gekomen voert verzoeker aan dat aan het intrekkingsbesluit ten grondslag is gelegd dat een verdenking bestond van een strafbaar feit op basis van het proces-verbaal van aangifte en dat hij een klap heeft gegeven aan een bezoeker van de club. De intrekking was dus niet gebaseerd op een strafrechtelijke vervolging, zoals wordt gesteld door verweerder. Verzoeker had nog geen dagvaarding ontvangen. Verweerder had de antecedenten van verzoeker niet aan het intrekkingsbesluit ten grondslag mogen leggen. Verzoeker vindt de omstandigheden genoemd in het intrekkingsbesluit niet alleen zeer summier, maar deze hangen ook zodanig samen met een eventuele strafrechtelijke rechtsgang dat het volgens verzoeker op de weg van verweerder had moeten liggen om zijn besluit uit te stellen. Deze omstandigheden kunnen volgens verzoeker onvoldoende aanleiding vormen voor het intrekkingsbesluit, nu daarbij geen rekening is gehouden met de omstandigheden waaronder verzoeker het geweld heeft toegepast.
De rechtbank stelt voorop dat de bestuurlijke beoordelingsruimte van verweerder een eigen zelfstandige waarde kent ten opzichte van de beoordelingsruimte van de strafrechter. Verweerder beschikt over een eigen bestuurlijke bevoegdheid om de geschiktheid ten aanzien van betrouwbaarheid en integriteit van beveiligingspersoneel te beoordelen en is daarbij niet zonder meer gehouden aan het oordeel van het Openbaar Ministerie of de strafrechter. [4] Gelet op paragraaf 2.3 onder c van de Bpbr en de toelichting daarop, kan ook op grond van andere niet uit veroordelingen of transacties gebleken bekende feiten, zoals opgemaakte processen-verbaal, worden aangenomen dat een beveiliger onvoldoende betrouwbaar is. Deze conclusie hoeft daarom niet gebaseerd te zijn op een strafrechtelijke vervolging. Hieruit volgt dat verweerder bij zijn beoordeling ten aanzien van de betrouwbaarheid van beveiligingspersoneel ook niet het oordeel van de strafrechter hoeft af te wachten. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat wanneer sprake is van een serieuze verdenking tegen een beveiliger zelden de strafrechtelijke procedure wordt afgewacht. Daar is in dit geval ook niet voor gekozen, omdat niet duidelijk was wanneer de strafzaak op een zitting behandeld zou worden. De rechtbank vindt dat in dit geval niet onredelijk gezien de belangen die de Wpbr beschermt, namelijk dat in de beveiligingsbranche slechts betrouwbaar personeel te werk wordt gesteld en een betrouwbare veiligheidszorg en een goede naam van de beveiligingsbranche. De rechtbank ziet dan ook geen reden om het intrekkingsbesluit onrechtmatig te achten omdat de behandeling van verzoekers strafzaak niet is afgewacht. Noch volgt de rechtbank het standpunt van eiser dat het intrekkingsbesluit berust op summiere feiten, omdat verweerder heeft verklaard alle op dat moment bekende feiten en omstandigheden bij het nemen van het besluit te hebben betrokken.
20. Ter zitting heeft verweerder toegelicht hoe in bezwaar een ander beeld van het incident is ontstaan. Zo zijn tijdens de hoorzitting in bezwaar de beelden van het incident opnieuw bekeken, dit maal met geluid en met commentaar van verzoeker, waardoor het beeld is ontstaan dat sprake was van noodweer. Ook heeft verweerder ter zitting toegelicht dat de vrijspraak van de strafrechter aanleiding was om verzoeker het voordeel van de twijfel te geven en het bezwaar gegrond te verklaren. Voor zover verzoeker aanvoert dat zijn beroep op noodweer al voor het intrekkingsbesluit voor verweerder kenbaar moest zijn geweest, heeft verweerder dit gemotiveerd betwist. De rechtbank ziet, gelet op de stukken en de toelichting van verweerder, geen aanleiding voor het oordeel dat het intrekkingsbesluit onrechtmatig is, dan wel dat verweerder daarmee onrechtmatig jegens verzoeker heeft gehandeld.
Nu de rechtbank concludeert dat geen sprake is van een onrechtmatig besluit en verweerder middels het intrekkingsbesluit niet onrechtmatig jegens verzoeker heeft gehandeld, komt de rechtbank niet toe aan een verdere beoordeling van het verzoek om schadevergoeding. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Beslissing
N. Melehi, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op