ECLI:NL:RVS:2007:BB2699
Raad van State
- Hoger beroep
- B. van Wagtendonk
- M.A.A. Mondt-Schouten
- P.B.M.J. van der Beek-Gillessen
- Rechtspraak.nl
Vaststelling bestuurlijke boete Wet arbeid vreemdelingen voor vennootschap onder firma
De staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid legde op 1 december 2005 een bestuurlijke boete op aan een vennootschap onder firma (vof) wegens het in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen laten verrichten van arbeid door een vreemdeling zonder vergunning. De vennootschap maakte bezwaar, dat door de staatssecretaris werd afgewezen. De voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van de vennootschap gegrond en vernietigde het besluit, met de opdracht aan de staatssecretaris een nieuw besluit te nemen.
De staatssecretaris ging in hoger beroep bij de Raad van State. De kern van het geschil betrof de hoogte van de boete en de rechtsvorm van de onderneming. De voorzieningenrechter had de vennootschap onder firma gelijkgesteld aan een natuurlijk persoon vanwege het faillissement van een medevennoot, hetgeen volgens de Raad onjuist was. De vennootschap onder firma wordt wettelijk gelijkgesteld aan een rechtspersoon voor boetebepaling.
Verder werd betoogd dat de boete onevenredig hoog zou zijn gezien de financiële situatie van de vennootschap en de vennoot zelf. De Raad oordeelde dat een bestuurlijke boete een punitieve sanctie is die volledig moet worden getoetst op evenredigheid. Slechte financiële situatie vormt echter geen bijzondere omstandigheid die matiging rechtvaardigt. De boete heeft ook een preventieve functie.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de voorzieningenrechter en verklaarde het beroep van de vennootschap ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van de vennootschap onder firma tegen de bestuurlijke boete wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de voorzieningenrechter wordt vernietigd.