ECLI:NL:RVS:2007:BB2788
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins-de Vin
- R. van der Spoel
- Rechtspraak.nl
Vaststelling zicht op uitzetting bij vreemdelingenbewaring na eerdere opheffing
De zaak betreft het hoger beroep van de staatssecretaris tegen een uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage die de bewaring van een vreemdeling had opgeheven. De rechtbank had geoordeeld dat het belang van de staatssecretaris bij het voortduren van de bewaring niet opwoog tegen het belang van de vreemdeling bij vrijheid, mede omdat er geen zicht op uitzetting zou zijn.
De Raad van State stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die een nieuwe inbewaringstelling konden rechtvaardigen. De eerdere opheffing van de bewaring was gebaseerd op een belangenafweging en niet op het ontbreken van zicht op uitzetting. De vreemdeling had sinds 2000 meerdere keren in bewaring en detentie gezeten zonder dat een reisdocument was afgegeven, maar hij had ook niet actief medewerking verleend aan het verkrijgen daarvan.
De Raad concludeert dat er geen grond is om te oordelen dat zicht op uitzetting ontbreekt, omdat de vreemdeling niet heeft voldaan aan zijn medewerkingsplicht. Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak die de bewaring opheft wordt vernietigd.