ECLI:NL:RBDHA:2025:398
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep gegrond tegen bewaring wegens ontbreken zicht op uitzetting naar Libië
Eiser, van Libische nationaliteit, werd op 31 december 2024 door de minister van Asiel en Migratie in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 vanwege risico op ontduiking van toezicht en belemmering van uitzetting.
De minister stelde dat sinds medio 2024 gedwongen terugkeer naar Libië weer mogelijk is, onderbouwd met cijfers over laissez-passer aanvragen, verstrekking en gedwongen uitzettingen tot en met 31 december 2024. Eiser betwistte het zicht op uitzetting en verwees naar eerdere jurisprudentie die dit ontkende.
De rechtbank concludeerde dat de cijfers geen wezenlijke verbetering tonen ten opzichte van eerdere perioden en dat er onvoldoende concrete aanknopingspunten zijn voor zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. De eerdere belemmering voor gedwongen uitzetting is niet overtuigend komen te vervallen.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep gegrond, beval de opheffing van de bewaring per 13 januari 2025 en kende eiser een schadevergoeding toe voor onrechtmatige vrijheidsontneming. Tevens werd de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, de bewaring wordt opgeheven en een schadevergoeding toegekend.