ECLI:NL:RVS:2007:BA0050
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins de Vin
- R. van der Spoel
- Rechtspraak.nl
Vreemdelingenbewaring en zicht op uitzetting bij herhaalde inbewaringstelling
De vreemdeling werd op 15 december 2006 in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank 's-Gravenhage had op 11 januari 2007 het beroep van de vreemdeling gegrond verklaard en schadevergoeding toegekend. De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State.
De Raad van State overwoog dat de eerdere inbewaringstelling van 2 september 2005 was opgeheven vanwege de lange duur van de bewaring, waarbij het belang van de vreemdeling zwaarder woog dan dat van de minister. De rechtbank had echter erkend dat er nog wel zicht op uitzetting bestond. De Raad stelde dat het ontbreken van een concrete datum voor uitzetting alleen relevant was voor de beoordeling van de duur van de bewaring.
Verder werd benadrukt dat de vreemdeling niet voldoende meewerkt aan het verkrijgen van noodzakelijke documenten voor uitzetting, onder meer door wisselende verklaringen over zijn identiteit en het weigeren van een taalanalyse. De minister had nog lopende onderzoeken bij Marokkaanse autoriteiten en Interpol om de identiteit vast te stellen.
De Raad concludeerde dat er geen grond was om te oordelen dat zicht op uitzetting ontbreekt en verklaarde het hoger beroep van de minister gegrond. Het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 15 december 2006 werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard en het beroep van de vreemdeling ongegrond, waarbij de inbewaringstelling rechtmatig wordt bevonden.