Uitspraak
200700544/1(www.raadvanstate.nl) verbinden deze artikelen naar hun inhoud niet een ieder en lenen zich derhalve niet voor rechtstreekse toepassing door de rechter.
200603367/1(www.raadvanstate.nl en Gst 2007, 73) het volgende.
Raad van State
Appellant verzocht op 29 november 2005 om een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) in verband met het verkrijgen van een chauffeurspas om zijn werkzaamheden als taxichauffeur te hervatten. De Minister van Justitie wees dit verzoek op 10 april 2006 af vanwege strafrechtelijke antecedenten, waaronder geweldsdelicten, vernieling en verkeersdelicten binnen de vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de Minister terecht het risico voor de samenleving heeft meegewogen, gezien de aard van de strafbare feiten en het belang van een veilige beroepsuitoefening. De beleidsregels en het screeningsprofiel voor taxichauffeurs rechtvaardigen de weigering van de VOG.
Appellant voerde aan dat zijn arbeidsrecht werd beperkt en beriep zich op internationale mensenrechten, maar de Afdeling stelde dat deze niet rechtstreeks toepasbaar zijn en dat de beperking proportioneel en wettelijk gerechtvaardigd is. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de voorzieningenrechter bevestigd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de weigering van de VOG vanwege relevante antecedenten die een risico vormen voor de veiligheid bij het beroep van taxichauffeur.