Uitspraak
200305154/1), is het hanteren van een ondergrens in de vorm van een maatschappelijk risico van 15% van de omzet op jaarbasis rechtens aanvaardbaar.
Raad van State
Appellant diende aanvragen in voor nadeelcompensatie wegens omzetverlies door de aanleg van de Hoogwaardig Openbaar Vervoerbaan (HOV-baan) in Utrecht voor de jaren 2000, 2001 en 2002. Het college van burgemeester en wethouders wees deze aanvragen af, waarna ook de rechtbank Utrecht het beroep ongegrond verklaarde. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State behandelde het hoger beroep.
De Verordening Schadecompensatieregeling Aanleg HOV-baan voorziet in compensatie voor schade door de aanleg van de HOV-baan, mits de schade het maatschappelijk risico van 15% omzetderving overschrijdt. De rechtbank oordeelde dat de omzetdaling van appellant niet voldoende was veroorzaakt door de aanleg van de HOV-baan en dat het maatschappelijk risico niet werd overschreden.
De Afdeling oordeelde dat het college en de rechtbank terecht het adviesbureau als onafhankelijke schadebeoordelingscommissie aanmerkten en dat de ondergrens van 15% maatschappelijk risico rechtens aanvaardbaar is. Wel stelde de Afdeling vast dat het adviesbureau onvoldoende rekening had gehouden met het na-ijlen van de werkzaamheden in 2001 en 2002 en dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de omzetdaling vanaf juni 2001 niet door de werkzaamheden was veroorzaakt.
Daarom werd het hoger beroep gegrond verklaard, het besluit van 22 mei 2006 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de overwegingen. De overige besluiten en de uitspraak van de rechtbank werden bevestigd.
Uitkomst: Het besluit van 22 mei 2006 tot afwijzing van nadeelcompensatie wordt vernietigd en het college dient een nieuw besluit te nemen.