ECLI:NL:RVS:2008:BC2312
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- T.M.A. Claessens
- D. Roemers
- Rechtspraak.nl
Bevestiging matiging boete wegens overtreding Wet arbeid vreemdelingen
De staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid legde op 8 juli 2005 aan [wederpartij] een boete van €8.000 op wegens het laten verrichten van arbeid door een vreemdeling zonder tewerkstellingsvergunning, in strijd met artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). Na bezwaar werd dit besluit gehandhaafd, maar de rechtbank 's-Hertogenbosch verklaarde het beroep van [wederpartij] gegrond en matigde de boete tot €4.000.
De minister stelde hoger beroep in tegen deze matiging. De Raad van State overwoog dat de minister beleidsregels heeft vastgesteld waarin boetebedragen uniform zijn vastgesteld, afgestemd op de ernst van de overtreding en afschrikwekkende werking. Toch kan bij bijzondere, individuele omstandigheden van deze regels worden afgeweken op grond van het evenredigheidsbeginsel uit artikel 3:4 Awb Pro.
De rechtbank had geoordeeld dat de vreemdeling slechts incidenteel en zonder vergoeding werkzaamheden verrichtte, terwijl zij een vergunning had voor werkzaamheden in België, en dat de overige aanwezigen wel over vergunningen beschikten. Deze omstandigheden rechtvaardigen volgens de Raad van State de matiging van de boete. Het hoger beroep van de minister wordt daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de matiging van de boete tot €4.000 wegens bijzondere omstandigheden.