ECLI:NL:RVS:2008:BC2514
Raad van State
- Hoger beroep
- P.A. Offers
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening en terugvordering huursubsidie wegens onrechtmatig verblijf medebewoner
De minister heeft op 28 april 2006 de huursubsidie aan appellante over de tijdvakken 1 juli 2004 tot 31 december 2005 herzien en vastgesteld op nihil, met terugvordering van ten onrechte betaalde bedragen. Appellante stelde dat haar zuster, de medebewoner, rechtmatig verbleef in Nederland omdat een nieuwe verblijfsaanvraag bij de IND in behandeling was, en dat zij niet hoefde te begrijpen dat dit gevolgen had voor de huursubsidie.
De Raad voor de Rechtspraak oordeelde dat de zuster vanaf 18 mei 2004 geen geldige verblijfsstatus meer had en appellante hiervan op de hoogte had kunnen zijn. Het vertrouwen op rechtmatig verblijf vanwege een lopende aanvraag was niet gerechtvaardigd. Ook het beleid ten aanzien van pleegouders van uitgeprocedeerde alleenstaande minderjarige vreemdelingen bood geen grond voor afwijking.
Verder werd geoordeeld dat de minister ook gelet op de persoonlijke omstandigheden van appellante, waaronder ziekte en zorg voor minderjarige kinderen, redelijk heeft gehandeld en dat terugvordering niet onredelijk was. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank Utrecht.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellante is ongegrond verklaard en de herziening en terugvordering van huursubsidie bevestigd.