Uitspraak
200704671/1) dat dit beleid niet onredelijk is en dat het niet leidt tot een ongerechtvaardigd onderscheid als door [wederpartij] betoogd.
200505825/1) bevat ook artikel 24, eerste lid, van het IVBPR, gelet op de formulering daarvan, behoudens het daarin neergelegde discriminatieverbod, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wetgeving door de rechter direct toepasbaar is. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 23 januari 2008 in zaak nr.
200704671/1) berust het gemaakte onderscheid tussen huurders met een Nederlandse of rechtmatig in Nederland verblijvende medebewoner en huurders met een medebewoner zonder geldige verblijfsstatus, echter op redelijke en objectieve gronden en levert dit geen discriminatie op als bedoeld in artikel 26 van Pro het IVBPR. Het beroep op artikel 8 van Pro het EVRM slaagt evenmin. Het terugvorderen van ten onrechte ontvangen huursubsidie, omdat de zoon niet rechtmatig in Nederland verblijft, leidt niet tot een inbreuk op het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven van [wederpartij]. Met de minister is de Afdeling van oordeel dat artikel 7 van Pro het EVRM in dit geval toepassing mist omdat de herziening en terugvordering van toegekende huursubsidie niet kan worden aangemerkt als een punitieve sanctie.