ECLI:NL:RVS:2008:BC3238
Raad van State
- Hoger beroep
- H. Troostwijk
- D. Roemers
- P.B.M.J. van der Beek-Gillessen
- Rechtspraak.nl
Ongewenstverklaring vreemdeling na strafrechtelijke veroordeling en motivering belangenafweging
De zaak betreft het hoger beroep van de staatssecretaris van Justitie tegen een uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage die het besluit tot ongewenstverklaring van een vreemdeling vernietigde. De vreemdeling was in 2000 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor overtreding van de Opiumwet en in 2006 ongewenst verklaard door de minister van Vreemdelingenzaken en Integratie. De rechtbank oordeelde dat vanwege het verstreken tijdsverloop tussen de veroordeling en de ongewenstverklaring hogere motiveringseisen golden en dat de minister onvoldoende rekening had gehouden met de guiding principles uit het Boultif-arrest van het EHRM.
De Raad van State stelt dat tijdsverloop op zichzelf geen reden is om een ongewenstverklaring onrechtmatig te achten en dat de rechtbank ten onrechte hogere eisen aan de motivering stelde. Tevens oordeelt de Afdeling dat de minister wel degelijk de belangenafweging heeft gemaakt waarbij het belang van de openbare orde zwaarder woog dan het persoonlijke belang van de vreemdeling bij zijn familie- en gezinsleven. De eerdere uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard.
De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige belangenafweging bij ongewenstverklaringen en bevestigt dat de minister geen verplichting heeft om tijdens verblijfsrechtelijke procedures te wijzen op de mogelijkheid van een ongewenstverklaring. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen de ongewenstverklaring wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd.