ECLI:NL:RVS:2007:BA9878
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- B. van Wagtendonk
- D. Roemers
- Rechtspraak.nl
Beoordeling motivering ongewenstverklaring na tijdsverloop strafrechtelijke veroordeling
De zaak betreft het hoger beroep van de Staatssecretaris van Justitie tegen een uitspraak van de voorzieningenrechter die een besluit tot ongewenstverklaring van een vreemdeling vernietigde vanwege onvoldoende motivering met betrekking tot het tijdsverloop sinds diens strafrechtelijke veroordelingen.
De vreemdeling was ongewenst verklaard na onherroepelijke veroordelingen voor ernstige misdrijven in 1997 en 2000. De voorzieningenrechter oordeelde dat de minister onvoldoende had gemotiveerd hoe het tijdsverloop tussen de veroordelingen en het besluit tot ongewenstverklaring in de belangenafweging was betrokken, en stelde hogere eisen aan die motivering naarmate meer tijd was verstreken.
De Raad van State oordeelt dat het tijdsverloop op zichzelf geen zelfstandige betekenis heeft en geen hogere motiveringseisen rechtvaardigt. De minister hoefde hieraan geen uitdrukkelijke overweging te wijden. Hoewel de staatssecretaris terecht klaagt over de motivering, kan het hoger beroep niet slagen omdat de voorzieningenrechter het besluit ook op andere gronden terecht vernietigde.
Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de voorzieningenrechter bevestigd. De staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van de vreemdeling.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de voorzieningenrechter bevestigd.