ECLI:NL:RVS:2008:BC4384
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- R. van der Spoel
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige vreemdelingenbewaring wegens onmogelijkheid tot tijdige uitzetting door psychische toestand
De vreemdeling werd op 22 oktober 2007 in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en oordeelde dat de bewaring vanaf het begin onrechtmatig was. De staatssecretaris stelde dat de vreemdeling door medicatie pas na drie weken aanspreekbaar zou zijn en dat er wel degelijk zicht op uitzetting was.
De Raad van State oordeelde dat ten tijde van de inbewaringstelling geen zicht op uitzetting ontbrak, omdat de toestand tijdelijk was en verbetering binnen drie weken verwacht mocht worden. Echter, op 12 november 2007 bleek de vreemdeling nog steeds slecht aanspreekbaar en was geen zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn aanwezig. Vanaf die datum was de bewaring onrechtmatig.
De Raad van State vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond voor zover het oordeel over het begin van de bewaring betreft, maar stelde het beroep van de vreemdeling alsnog gegrond voor het tijdvak vanaf 12 november 2007. De bewaring werd opgeheven op 19 november 2007. De vreemdeling kreeg een schadevergoeding van €490 toegekend en de staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €966.
Uitkomst: De vreemdelingenbewaring was vanaf 12 november 2007 onrechtmatig en de vreemdeling kreeg een schadevergoeding toegekend.