Uitspraak
200506157/1), bevat de tekst noch de toelichting van het Blk 2005 enig aanknopingspunt voor het standpunt dat wordt voldaan aan artikel 7, derde lid, onder a, wanneer het aantal dagen dat de vierentwintig-uurgemiddelde grenswaarde wordt overschreden, gelijk blijft. Bepalend is of de concentratie zwevende deeltjes in de buitenlucht ten minste gelijk zal blijven. Uit het rapport blijkt dat de bijdrage van de installaties aan de jaargemiddelde concentratie zwevende deeltjes maximaal 0,086 microgram per m3 zal bedragen. Bij de toepassing van artikel 7, derde lid, onder a, van het Blk 2005 komt geen betekenis toe aan een zeer geringe toename van de jaargemiddelde concentratie, zoals de
200507534/1). Gelet op de uitspraak van 18 januari 2006, gelezen in samenhang met bovengenoemde uitspraak van 5 april 2006, is de bijdrage van de installaties aan de jaargemiddelde concentratie zwevende deeltjes zodanig gering dat er bij de toetsing aan artikel 7 van Pro het Blk 2005 geen betekenis aan behoeft te worden toegekend.
200600103/1geeft geen grond voor het oordeel dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college het rapport van 16 januari 2006 niet zonder nader onderzoek aan het besluit van 18 april 2006 ten grondslag heeft mogen leggen. Gebleken is dat in het rapport voor de vaststelling van de achtergrondwaarden gebruik is gemaakt van de Generieke Concentraties Nederland (hierna: GCN), welke waarden zijn vastgesteld door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu. Zoals de Afdeling in haar uitspraak van 12 maart 2008 in zaak nr.
200604662/1heeft overwogen, is het gebruik van deze waarden als de standaard voor achtergrondconcentraties algemeen aanvaard en kunnen ze niet op één lijn worden gesteld met de door [appellant] bedoelde waarden van de GGD Amsterdam.