ECLI:NL:RVS:2008:BD1177
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- H. Troostwijk
- T.M.A. Claessens
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning wegens hoofdverblijf buiten Nederland en geen contact met minderjarig kind
De vreemdeling kreeg een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, die bij besluit van 21 februari 2006 werd ingetrokken omdat hij zijn hoofdverblijf buiten Nederland had gevestigd. De staatssecretaris verklaarde het bezwaar tegen deze intrekking ongegrond. De rechtbank 's-Gravenhage verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, waarna de staatssecretaris hoger beroep instelde bij de Raad van State.
De Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte geen aanwijzing zag in de uitschrijving van de vreemdeling uit de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA) dat hij zijn hoofdverblijf buiten Nederland had gevestigd. De Raad stelde vast dat de vreemdeling sinds 9 januari 2004 was uitgeschreven en pas op 20 december 2005 weer ingeschreven, en dat hij niet had voldaan aan de meldingsplicht bij verhuizing. De door de vreemdeling overgelegde stukken, waaronder bankafschriften en paspoortstempels, maakten onvoldoende aannemelijk dat hij duurzaam in Nederland verbleef.
Verder stelde de vreemdeling dat de intrekking van zijn verblijfsvergunning een schending van artikel 8 EVRM Pro opleverde vanwege het gezinsleven met zijn minderjarige kind in Nederland. Dit betoog faalde omdat de vreemdeling verklaarde sinds drie jaar geen contact met zijn kind te hebben.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De intrekking van de verblijfsvergunning wegens hoofdverblijf buiten Nederland en geen contact met het kind is rechtmatig verklaard.