Uitspraak
200700303/1) terecht heeft overwogen, niet tot een ander oordeel. Instemming met, respectievelijk wetenschap van de arbeid is voor de kwalificatie als werkgever in de zin van de Wav niet vereist; het enkel mogelijk maken van het verrichten van arbeid en het niet verhinderen daarvan, wordt ook opgevat als het laten verrichten van arbeid.
200704019/1, evenzeer terecht heeft overwogen, de onschuldpresumptie, neergelegd in artikel 6, tweede lid, van het EVRM, er niet aan in de weg dat verwijtbaarheid geen bestanddeel is van de verbodsbepaling van artikel 2, eerste lid, van de Wav, terwijl ingevolge die bepaling een boete wordt opgelegd. Het betoog van [appellant] dat het uitgangspunt van de minister van een vermoeden van schuld in strijd is met de onschuldpresumptie, neergelegd in artikel 6, tweede lid, van het EVRM, vindt geen steun in deze bepaling zoals uitgelegd in de, in voormelde uitspraak van 30 januari 2008 weergegeven, jurisprudentie van het EHRM.
200607461/1), is de staatssecretaris (thans de minister) van Sociale Zaken en Werkgelegenheid door het ontwikkelen van een stelsel van uniforme boetebedragen niet tot een onredelijke beleidsbepaling gekomen, maar laat dit onverlet dat bij een besluit tot boeteoplegging in het concrete geval het in artikel 3:4 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) neergelegde evenredigheidsbeginsel aan de orde is. Gelet op de overwegingen van die uitspraak heeft de rechtbank terecht overwogen dat als de toepassing van de beleidsregels voor een belanghebbende gevolgen heeft die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen, van deze beleidsregels moet worden afgeweken.
200704906/1) wordt in situaties waarin sprake is van het volledig ontbreken van verwijtbaarheid van boeteoplegging afgezien. Hiertoe dient de werkgever aannemelijk te maken dat hij al hetgeen redelijkerwijs mogelijk was om de overtreding te voorkomen heeft gedaan.