ECLI:NL:RVS:2009:BH4671
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- T.M.A. Claessens
- P.B.M.J. van der Beek Gillessen
- Rechtspraak.nl
Geen schending artikel 3 EVRM bij uitzetting nierpatiënt zonder vergevorderde levensbedreigende ziekte
De vreemdeling, lijdend aan nierinsufficiëntie, verzocht om een verblijfsvergunning op grond van medische gronden. De rechtbank oordeelde dat zijn medische situatie zodanig was dat uitzetting een schending van artikel 3 EVRM Pro kon opleveren en verklaarde het beroep gegrond.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Raad van State overwoog dat de medische adviezen van het Bureau Medische Advisering (BMA) ontkenden dat de vreemdeling zich in een vergevorderd en direct levensbedreigend stadium van zijn ziekte bevindt. Hoewel stopzetting van de behandeling tot een levensbedreigende situatie leidt, betekent dit niet dat de ziekte reeds in dat stadium is.
De Raad van State verwees naar jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, waarin is bepaald dat alleen bij een ziekte in een vergevorderd en direct levensbedreigend stadium sprake is van uitzonderlijke omstandigheden die een schending van artikel 3 EVRM Pro kunnen opleveren. Aangezien de vreemdeling niet aan deze criteria voldoet, werd het beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard omdat geen sprake is van een ziekte in een vergevorderd en direct levensbedreigend stadium, zodat uitzetting geen schending van artikel 3 EVRM oplevert.