ECLI:NL:RVS:2009:BI4040

Raad van State

Datum uitspraak
29 april 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200803390/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.G. Lubberdink
  • M.G.J. Parkins-de Vin
  • P.B.M.J. van der Beek-Gillessen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 8:54 AwbArt. 24 Vreemdelingenwet 2000Art. 3.34g Voorschrift Vreemdelingen 2000Art. 72 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit legesbetaling vreemdeling wegens ontbreken besluitkarakter

De zaak betreft een hoger beroep van de staatssecretaris van Justitie tegen een uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage waarin het beroep van een vreemdeling tegen een aanzegging tot betaling van leges gegrond werd verklaard. De aanzegging tot legesbetaling volgt uit de Vreemdelingenwet 2000 en het Voorschrift Vreemdelingen 2000, maar de Afdeling bestuursrechtspraak stelt vast dat deze aanzegging geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De rechtbank had geoordeeld dat de aanzegging een voor bezwaar vatbare beslissing was, maar de Raad van State vernietigt deze uitspraak en verklaart het bezwaar tegen de aanzegging niet-ontvankelijk. De Afdeling stelt dat de vreemdeling bezwaren tegen de legesheffing kan aanvoeren bij het besluit op de aanvraag verblijfsvergunning of via een verzoek om restitutie.

De Afdeling veroordeelt de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten en tot vergoeding van het betaalde griffierecht. De uitspraak treedt in de plaats van het vernietigde besluit van 4 april 2007 waarin het bezwaar ongegrond werd verklaard.

Uitkomst: De aanzegging tot legesbetaling is geen besluit in de zin van de Awb, bezwaar is niet-ontvankelijk, en het besluit van de staatssecretaris wordt vernietigd.

Uitspraak

200803390/1.
Datum uitspraak: 29 april 2009
RAAD VAN STATE
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 11 april 2008 in zaak nr. 07/18755 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris van Justitie.
1. Procesverloop
Bij besluit van 4 april 2007 heeft de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris), voor zover thans van belang, het door [de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) gemaakte bezwaar tegen de aanzegging tot legesbetaling ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 11 april 2008, verzonden op 15 april 2008, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, (hierna: de rechtbank) het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd voor zover het de aanzegging tot legesbetaling betreft en bepaald dat de staatssecretaris in zoverre een nieuw besluit op bezwaar neemt, met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 9 mei 2008, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. De Afdeling overweegt ambtshalve het volgende.
2.1.1.De verplichting voor de vreemdeling om voor het in behandeling nemen van haar aanvraag leges te voldoen, volgt uit artikel 24, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) gelezen in samenhang met artikel 3.34g van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (hierna: het VV 2000).
Gelet op deze rechtstreeks uit de wet voortvloeiende op de vreemdeling rustende verplichting om het in het VV 2000 bepaalde bedrag aan leges te voldoen, is de aanzegging niet gericht op enig rechtsgevolg en kan derhalve niet worden aangemerkt als besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Aangezien bezwaren tegen de legesheffing naar voren kunnen worden gebracht in het kader van het besluit op de aanvraag tot het verlenen van de gevraagde verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd dan wel in het kader van een verzoek om restitutie, is de aanzegging evenmin een handeling in de zin van artikel 72, derde lid, van de Vw 2000.
2.1.2. Uit het vorenstaande vloeit voort dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de aanzegging als een voor bezwaar vatbare beslissing kan worden aangemerkt.
2.2. Het hoger beroep is reeds hierom kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 4 april 2007 van de staatssecretaris alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt eveneens voor vernietiging in aanmerking, voor zover daarbij het bezwaar gericht tegen de aanzegging tot betaling van de voor de aanvraag verschuldigde leges, ongegrond is verklaard. Het bezwaar wordt, gezien hetgeen in 2.1.1. is overwogen, niet-ontvankelijk verklaard. De Afdeling zal op na te melden wijze zelf in de zaak voorzien en bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 4 april 2007.
2.3. De staatssecretaris dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 11 april 2008 in zaak nr. 07/18755;
III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van de staatssecretaris van Justitie van 4 april 2007, kenmerk 9405-17-0466, voor zover daarbij het bezwaar tegen de aanzegging tot betaling van de voor de aanvraag verschuldigde leges ongegrond is verklaard;
V. verklaart dat bezwaar niet-ontvankelijk en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van dat besluit;
VI. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 966,00 (zegge: negenhonderdzesenzestig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie) aan de vreemdeling onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;
VII. gelast dat de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie) aan de vreemdeling het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 143,00 (zegge: honderddrieënveertig euro) voor de behandeling van het beroep vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins-de Vin en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, ambtenaar van Staat.
w.g. Lubberdink
voorzitter
w.g. Zwemstra
ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 29 april 2009
91-553.
Verzonden: 29 april 2009
Voor eensluidend afschrift,
de secretaris van de Raad van State,
voor deze,
mr. H.H.C. Visser,
directeur Bestuursrechtspraak