ECLI:NL:RVS:2009:BJ3648
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- C.J. Borman
- Rechtspraak.nl
Beoordeling belang bij hoger beroep tegen inbewaringstelling vreemdeling
De vreemdeling was op 13 mei 2009 in vreemdelingenbewaring gesteld, maar deze maatregel werd op 19 mei 2009 opgeheven met toekenning van een volledige schadevergoeding. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen de inbewaringstelling niet-ontvankelijk omdat hij geen belang had bij de behandeling.
De vreemdeling stelde dat hij wel belang had, omdat het van belang is te weten waarom de maatregel van 13 mei 2009 werd opgeheven, vooral met betrekking tot het ontbreken van zicht op uitzetting. De Raad van State oordeelde echter dat bij beoordeling van een eventuele toekomstige maatregel van bewaring niet relevant is waarom de eerdere maatregel van 28 april 2009 werd opgeheven, maar wel waarom die van 13 mei 2009 werd opgeheven.
De Raad stelde dat de vreemdeling niet gebonden is aan de reden van opheffing die door de staatssecretaris is gegeven en dat bij een toekomstige inbewaringstelling de rechter dit zelfstandig moet beoordelen. Omdat ongewis is of de vreemdeling opnieuw in bewaring zal worden gesteld en hij reeds een volledige schadevergoeding heeft ontvangen, was het oordeel van de rechtbank dat hij geen belang had bij behandeling van het beroep terecht. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt dat de vreemdeling geen belang had bij behandeling van zijn beroep tegen de inbewaringstelling en wijst het verzoek om schadevergoeding af.