ECLI:NL:RVS:2009:BJ5193
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- T.M.A. Claessens
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Verlenging overdrachtstermijn asielverzoek op grond van Dublin-verordening bevestigd
De zaak betreft een hoger beroep van de staatssecretaris van Justitie tegen een uitspraak van de voorzieningenrechter die oordeelde dat onvoldoende was gemotiveerd dat Oostenrijk verantwoordelijk bleef voor de behandeling van het asielverzoek van de vreemdeling. De Raad van State stelt vast dat op grond van de Dublin-verordening en de Uitvoeringsverordening de overdrachtstermijn van zes maanden kan worden verlengd tot maximaal 18 maanden indien tijdig aan de verantwoordelijke lidstaat wordt meegedeeld dat de overdracht niet kan plaatsvinden.
Nederland heeft op 22 oktober 2007 Oostenrijk geïnformeerd dat de vreemdeling met onbekende bestemming was vertrokken, waarmee de overdrachtstermijn rechtsgeldig werd verlengd tot 10 april 2009. De Raad van State oordeelt dat dit voldoende is om Oostenrijk als verantwoordelijke lidstaat aan te merken, ook al was op enig moment niet uitgesloten dat overdracht binnen zes maanden alsnog mogelijk zou zijn.
De vreemdeling voerde aan dat hij afhankelijk was van familie in Nederland en specialistische medische zorg nodig had, maar dit werd niet als uitzonderlijke humanitaire omstandigheden erkend die een afwijking van de Dublin-verordening rechtvaardigen. De Raad van State vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter en verklaart het beroep van de vreemdeling ongegrond.
Uitkomst: De Raad van State vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter en verklaart het beroep van de vreemdeling ongegrond.