ECLI:NL:RVS:2017:2568
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- H.G. Sevenster
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen bewaring vreemdeling op grond van Dublinverordening
De vreemdeling werd op 22 juni 2017 in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000, met het oog op overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat volgens de Dublinverordening. De rechtbank had deze bewaring op 4 juli 2017 vernietigd en schadevergoeding toegekend, omdat zij oordeelde dat de termijn voor effectuering van het claimakkoord was verstreken en er geen concreet aanknopingspunt voor overdracht bestond.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank ten onrechte een onderscheid maakte tussen de mededeling aan de Duitse autoriteiten en de verlenging van de overdrachtstermijn. De brief van 9 januari 2017 verlengde de termijn tot 18 maanden na claimaanvaarding, dus tot 26 april 2018, zodat op het moment van bewaring een concreet aanknopingspunt voor overdracht bestond.
De Afdeling stelde vast dat de staatssecretaris terecht rekening hield met het eerdere onttrekken aan toezicht en het niet meewerken aan overdracht. Ook werd het persoonlijke belang van de vreemdeling, zoals de zwangerschap van zijn vrouw, meegewogen maar woog niet zwaarder dan het risico op ontsnapping. Het beroep van de vreemdeling werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de bewaring blijft gehandhaafd.