Uitspraak
200708333/1in rechte onaantastbaar is geworden en op grond waarvan op het perceel Haanse Hoef 3 de bouw van een burgerwoning mogelijk is.
200804652/1, een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit.
200800890/1,
200800896/1en
200800897/1inzake het realiseren van woningen aan de Haanse Hoef 1 en 1a en Leeuweriklaan 2, overwogen dat de bouw van de twaalf woningen aan de Haanse Hoef en Leeuweriklaan voldoende zeker is. Dat de aanleg van de ontsluitingsweg Leeuwerikaan met rotonde nog niet onherroepelijk vast staat, wat hier van zij, leidt niet tot een ander oordeel. Het zuinig ruimtegebruik wordt blijkens de ruimtelijke onderbouwing en de beantwoording van de zienswijzen in de besluiten op bezwaar bewerkstelligd doordat de bestaande bedrijfsgebouwen en -woning op de Haanse Hoef 3 worden gesloopt, zodat per saldo het bebouwd oppervlak na nieuwbouw op de Haanse Hoef 3 en 3a niet of nauwelijks zal toenemen. Ook is in deze stukken uiteengezet dat door het bouwplan de kwaliteit van het bestaande woongebied, dat wordt bepaald door het groene karakter en de relatie met het omringende agrarische gebied, niet wijzigt, nu het bouwplan goed kan worden ingepast in de omgeving. Gelet op de in voormelde stukken neergelegde motivering heeft het college de planologische aanvaardbaarheid van het bouwplan in zoverre voldoende onderbouwd en bestaat er geen grond voor het oordeel dat het college en gedeputeerde staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat aan de in het uitwerkingsplan opgenomen nadere voorwaarden wordt voldaan. Wat [appellanten] over de regeling "Ruimte voor Ruimte" naar voren hebben gebracht, heeft geen betrekking op het bouwplan en is in deze procedure derhalve niet relevant.
200708333/1vast dat tegen dit besluit aparte rechtsmiddelen hebben opengestaan en dat dit besluit inmiddels onherroepelijk is. De voorzieningenrechter heeft terecht geconcludeerd dat het college bij de beoordeling van het verzoek om vrijstelling de met het besluit van 11 juni 2007 vastgestelde hogere geluidgrenswaarde van 59 dB(A) als uitgangspunt heeft kunnen nemen en dat het betoog van [appellanten] dat dit besluit in strijd is met de Wgh (oud) in deze procedure niet meer aan de orde kan komen.
200706699/1), komt de vraag of voor de uitvoering van een project een ontheffing of vrijstelling nodig is op grond van de Flora- en faunawet, en zo ja, of deze ontheffing of vrijstelling kan worden verleend, aan de orde in een eventueel te voeren procedure op grond van de Flora- en faunawet. Voorts volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 26 september 2007 in zaak nr.
200700052/1dat de vraag of nader onderzoek naar het effect van de te realiseren woningen op flora en fauna dient te worden verricht, primair in het kader van die procedure moet worden beoordeeld. Slechts indien op voorhand twijfel bestaat of een zodanige vrijstelling of ontheffing kan worden verleend, is er aanleiding een vrijstelling in het kader van artikel 19 van Pro de WRO te weigeren.