Uitspraak
200708170/1), dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de vreemdeling arbeid heeft verricht in de zin van de Wav. Hij voert in dit verband aan dat op 24 maart 2005 bij wijze van afscheid een min of meer besloten avond in de onderneming was georganiseerd, waarbij de vaste gasten gratis drankjes en hapjes kregen en men vrij was zelf drankjes in te schenken. Op 25 maart 2005 heeft de sleuteloverdracht van de onderneming plaatsgevonden. De vreemdeling heeft volgens [appellant] slechts een paar minuten achter de bar gestaan en heeft een drankje voor haarzelf en een ander ingeschonken. Voorts heeft de vreemdeling ontkend dat zij geld in ontvangst heeft genomen en, voor zover zij wel geld in ontvangst heeft genomen, is door de inspecteurs niet onderzocht waarom zij geld in ontvangst heeft genomen.
200700303/1), aard, omvang en duur van de werkzaamheden voor de vraag of sprake is van werkgeverschap in de zin van de Wav niet ter zake doen en instemming met, onderscheidenlijk wetenschap van de arbeid evenmin is vereist; het enkel mogelijk maken van het verrichten van arbeid en het niet verhinderen daarvan, wordt ook opgevat als het laten verrichten van arbeid. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de vreemdeling arbeid heeft verricht, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wav.
200802451/1), waaruit volgt dat de aard, intensiteit en duur van de verrichte werkzaamheden factoren zijn die een grond voor matiging kunnen vormen. Volgens [appellant] is uit niets gebleken dat de vreemdeling structureel werkzaamheden verrichtte.
200607461/1), is bij een besluit tot boeteoplegging het in artikel 3:4 van Pro de Awb neergelegde evenredigheidsbeginsel aan de orde. Als de toepassing van de beleidsregels voor een belanghebbende gevolgen heeft die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen, dan moet van deze beleidsregels worden afgeweken. Bij bijzondere omstandigheden die tot matiging aanleiding geven gaat het in ieder geval, mede gelet op artikel 4:84 van Pro de Awb, om individuele omstandigheden met een uitzonderlijk karakter.
200803230/1/V6), brengt het evenredigheidsbeginsel met zich dat, voor zover thans van belang, de ernst van de overtreding en de omstandigheden waaronder deze is begaan van betekenis kunnen zijn bij de beantwoording van de vraag of de opgelegde boete dient te worden gematigd. Factoren zoals de aard, intensiteit en duur van de werkzaamheden kunnen, zoals volgt uit voormelde uitspraak van de Afdeling van 8 oktober 2008, daarbij een rol spelen.