Uitspraak
200202850/1kon worden aangesloten en de beperking tot 25 m², als bedoeld in artikel 7, onder d, van de beleidsregels, slechts geldt voor het deel van de uitbreiding of het bijgebouw, waarvoor vrijstelling is verleend. Vast staat dat het deel van het bouwplan waarmee de maximaal te bebouwen oppervlakte aan nevenruimten bij een woning wordt overschreden en waarvoor vrijstelling is verleend minder dan 25 m² bedraagt, zodat de verleende vrijstelling met de beleidsregels niet in strijd is.
200501647/1, kan uit artikel 11, tweede lid, aanhef en onder a, van de Monumentenwet niet worden afgeleid dat een vergunning als in die bepaling genoemd, ook is vereist in het geval van nieuwbouw van een woning, die uit de aard van de zaak geen beschermd monument is, op de enkele grond dat deze mogelijk afbreuk doet aan de omgeving van een naastgelegen beschermd monument. Dit is niet anders, indien vaststaat dat de omgeving van het beschermde monument een rol heeft gespeeld bij de aanwijzing tot beschermd monument, aldus die uitspraak. Voorts is daarin overwogen dat de wetsgeschiedenis evenmin een aanknopingspunt biedt voor een zodanig ruime uitleg van het begrip "verstoren". Daarbij is verwezen naar de Memorie van Toelichting op de Monumentenwet (Kamerstukken II 1986/87, 19 881, nr. 3, p. 18), waarin is vermeld dat dit begrip ziet op een situatie die zich vooral bij archeologische monumenten kan voordoen. De uitspraak van de Afdeling van 12 december 2007 in zaak nr.
200702919/1, waar door [appellanten] ter zitting naar is verwezen, is voor de onderhavige zaak niet relevant omdat het daar ging om een andere situatie. In die zaak ging het om een tuinmuur die was gebouwd op een landgoed dat als beschermd monument was aangewezen. Daarbij ziet deze uitspraak niet op de uitleg van het begrip "verstoren" als bedoeld in artikel 11, tweede lid, aanhef en onder a, van de Monumentenwet, maar op de vraag of het desbetreffende college van burgemeester en wethouders zich bij de afwijzing van de aanvraag om een monumentenvergunning mocht baseren op de bevindingen van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg en de gemeentelijke monumentencommissie.