Uitspraak
200800658/1en van 23 juli 2008 in zaak nr.
200708170/1, leiden niet tot het door [appellant] beoogde gevolg, reeds omdat die uitspraken betrekking hebben op gevallen waarin - anders dan in deze zaak - onvoldoende aannemelijk is geworden dat de betrokken vreemdelingen ten behoeve van de beboete persoon arbeid in de zin van de Wav hebben verricht. Onder deze omstandigheden is van schending van artikel 6 van Pro het EVRM, als door [appellant] betoogd, geen sprake.
200607461/1), is bij een besluit tot boeteoplegging het in artikel 3:4 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) neergelegde evenredigheidsbeginsel aan de orde. Als de toepassing van de beleidsregels voor een belanghebbende gevolgen heeft die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen, dan moet van deze beleidsregels worden afgeweken. Bij bijzondere omstandigheden die tot matiging aanleiding geven gaat het in ieder geval, mede gelet op artikel 4:84 van Pro de Awb, om individuele omstandigheden met een uitzonderlijk karakter.
200704906/1), wordt in situaties waarin sprake is van het volledig ontbreken van verwijtbaarheid van boeteoplegging afgezien. Hiertoe dient de werkgever aannemelijk te maken dat hij al hetgeen redelijkerwijs mogelijk was om de overtreding te voorkomen heeft gedaan. Een verminderde mate van verwijtbaarheid kan aanleiding geven de opgelegde boete te matigen.