ECLI:NL:RVS:2010:BL8074
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- T.M.A. Claessens
- Rechtspraak.nl
Beoordeling onevenredige legesheffing voor verlenging verblijfsvergunning Turkse staatsburger
De zaak betreft een hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank over de hoogte van leges die Turkse staatsburgers moeten betalen voor de verlenging van hun verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft prejudiciële vragen beantwoord over de toepassing van artikel 13 van Pro besluit nr. 1/80, dat beperkingen op de arbeidsmarkt en verblijfsrechten van Turkse staatsburgers regelt.
Het Hof oordeelde dat artikel 13 van Pro toepassing is op Turkse onderdanen die binnen zes maanden na het verlopen van hun verblijfsvergunning een verlengingsaanvraag indienen, en dat de heffing van leges niet mag leiden tot een onevenredige beperking ten opzichte van gemeenschapsburgers. In deze zaak was het legesbedrag voor Turkse staatsburgers €169, terwijl gemeenschapsburgers slechts €30 betaalden, wat het Hof als een verboden beperking aanmerkte.
De Raad van State bevestigde de uitspraak van de rechtbank dat deze legesheffing in strijd is met artikel 13 van Pro besluit nr. 1/80. Het hoger beroep van de minister werd ongegrond verklaard en het hoger beroep van de vreemdeling niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang. De minister werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en het terugbetalen van griffierechten aan de vreemdeling.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt dat de hogere legesheffing voor Turkse staatsburgers een verboden beperking vormt en verklaart het hoger beroep van de minister ongegrond.