ECLI:NL:RVS:2010:BM0762
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- B. van Wagtendonk
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Vernietiging en opheffing vreemdelingenbewaring wegens niet tijdig horen vreemdeling
De vreemdeling was in vreemdelingenbewaring gesteld bij besluit van 2 februari 2010. Hij stelde beroep in bij de rechtbank, die op 15 februari 2010 een zitting hield. De vreemdeling was aanwezig in het gerechtsgebouw, maar werd door een organisatorische fout niet naar de zittingszaal gebracht en dus niet gehoord binnen de wettelijke termijn van artikel 94, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
De rechtbank vervolgde de behandeling op 22 februari 2010, waarbij de vreemdeling alsnog in persoon werd gehoord. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State.
De Raad van State oordeelt dat het niet tijdig horen van de vreemdeling leidt tot onrechtmatigheid van de maatregel. De termijn eindigde op 17 februari 2010, en omdat de vreemdeling pas op 22 februari werd gehoord, is de maatregel vanaf 18 februari 2010 onrechtmatig. De Raad van State verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank, verklaart het beroep gegrond, en heft de vrijheidsontnemende maatregel op.
Daarnaast kent de Raad van State aan de vreemdeling een vergoeding toe van €3360,00 voor de periode van onrechtmatige bewaring en veroordeelt de minister van Justitie tot vergoeding van proceskosten van €1311,00. Hiermee wordt het onrechtmatig vasthouden gecorrigeerd en wordt de vreemdeling schadeloos gesteld.
Uitkomst: De vreemdelingenbewaring wordt opgeheven wegens niet tijdig horen van de vreemdeling en de vreemdeling ontvangt vergoeding en proceskosten.